Geen categorie

Het beest in ons –

Vandaag fileert Erik Jan Harmens mijn gedicht Wie is er bang (Begrafenis van de mannen) in Met open mond, de poëziepodcast die hij met Dieuwertje Mertens begon om de tweede lockdown door te komen. In Wie is er bang beschrijf ik een terugkerende nachtmerrie die ik heel mijn jeugd en tot diep in mijn twintiger jaren had; een wolvendroom.

Ik heb al tijden niet meer over wolven gedroomd, maar misschien hoeft dat ook niet meer. De wolf is zijn status van fabeldier ontstegen, want terug in Nederland, en ik ben niet meer bang voor wolven – of nou ja, niet zo bang als toen. Toen voedde ik mijn angst nog door een overkill aan David Attenborough-documentaires te kijken en sprookjes als De jongen die ‘wolf’ riep steeds opnieuw te lezen, ook al kon ik er niet van slapen.

In mijn kamer op de bovenste verdieping van het huis lag ik vaak urenlang wakker omdat ik dacht dat er een wolf onder mijn bed zat. Ik wist het zo zeker dat ik hem soms zelfs hoorde hijgen. Als ik naar de wc moest, hield ik mijn plas op omdat ik bang was dat de wolf me in mijn enkels zou bijten als ik uit bed zou stappen. Pas als ik het echt niet meer hield ging ik rechtop in mijn bed staan en sprong eruit, zo ver als ik kon. Dan was het hele huis wakker, maar moest het feest nog beginnen. Vervolgens rende ik namelijk ook nog als een bezetene de trap af omdat ik langs een washok moest, dat schuilging achter een onheilspellend gordijn. Daar zat er natuurlijk ook nog één. Op de terugweg weer hetzelfde scenario: de trap op rennen, met een aanloop het bed in springen, de dekens om me heen vouwen, gespannen luisteren. Zie je wel, daar had je het weer. Weer dat gehijg.

Als mijn ouders me de volgende morgen chagrijnig vroegen waarom ik toch zo stampte op de trap mompelde ik met een rooie kop dat ik gewoon heel nodig moest, of dat ik het zo koud vond buiten mijn warme nest. Ik rekende er niet op dat de waarheid me op medeleven of begrip zou komen te staan: ik werd zo ook al vaak genoeg voor fantast uitgemaakt, en ergens snapte ik ook wel dat het een raar verhaal was, een koppel wolven op de derde verdieping van een twee-onder-een-kapwoning in een vinexwijk te Doetinchem. Maar omdat ik er niet over praatte, bleef mijn angst ook heel lang levendig. Ik had er zelfs op mijn eerste studentenkamer in Groningen nog last van, hoe ik me ook voorhield dat wolven niet in verhuisdozen passen.

Ook wanneer ik, moe van het ingespannen luisteren, toch in slaap viel, lieten de wolven me niet met rust. De terugkerende nachtmerrie waarover ik schreef in Begrafenis van de mannen speelde zich af in de Kruisbergse Bossen bij Doetinchem, waar ik na schooltijd vaak speelde met mijn broertje en een vriendje uit de straat, Michiel. We hadden er een ondergrondse hut op een heuvel bij een ven met een kluis vol oude Playboys en een open haard waarin we fikkies stookten tot de boel blauw stond. In diezelfde kluis bewaarden we een luchtbuks waarmee we op rotte bomen schoten. Die had Michiel van zijn vader gekregen (in tegenstelling tot de Playboys, die hij van hem gejat had).

De Kruisbergse bossen liggen op een rivierduinencomplex, wat er in de praktijk op neerkomt dat er veel gele zandwallen en hoge heuvels zijn. In mijn droom werden de duinen aan weerszijden van het pad waarover ik het bos in liep van achteren dramatisch belicht, alsof daar grote stage lights stonden. In dat licht kwam dan een soort nevel opzetten dat me deed denken aan het moment in The Fog waarop je snapt dat het niet pluis is, en in die nevel verschenen een voor een de schaduwen van de wolven. Ik was dan meestal nog vlakbij de ingang van het bos, waardoor het voor de hand leek te liggen dat ik me om zou keren en terug zou rennen naar de omringende woonwijken, maar onderworpen aan de droomlogica deed ik steeds weer het tegenovergestelde: ik rende het bos in, de wolven tegemoet. Welk zijpad ik ook koos, overal verschenen ze. Het werden er steeds meer. Hun tongen hingen verlekkerd uit hun bek, hun tanden blikkerden. Nu en dan hapte er een naar mijn been of arm; dan mepte ik in blinde paniek van me af. Precies op het moment dat ze me zouden verscheuren, werd ik wakker met mijn hart in mijn keel en het angstzweet op mijn rug.

Ik droomde ook variaties op dit thema, waarin niet ikzelf op het menu stond, maar mijn ouders. In die versies hadden de wolven geen oog voor mij; ik stond erbij en keek ernaar als ze zich aan mijn ouders vergrepen, en vreemd genoeg werd ik op dat moment vaak overspoeld door een golf van opluchting. Alsof ik dacht: ‘Net goed!, of: ‘Opgeruimd staat netjes!’. Als ik in de loop van de dag terugdacht aan dat triomfantelijke gevoel, steeg het schaamrood me naar de kaken en vulde mijn hoofd zich met angstige vragen: Was ik een slecht mens? Wilde ik mijn ouders stiekem dood hebben? Moest ik weglopen van huis om erger te voorkomen? Hoe lang zou het duren voor ze me zouden vinden als ik in de hut ging wonen? Zou ik als ik heel erge honger had een konijn durven doodschieten met de luchtbuks? En: als Jim Morrisson zong ‘Father I want to kill you’, maakte mij dat dan heel misschien iets minder verknipt?

Jaren later, toen ik geïnteresseerd raakte in droomduiding, las ik iets over de symbolische betekenis van wolven in dromen. Een roedel wolven die je in zijn midden opneemt zou staan voor de veiligheid van het gezin waarin je opgroeit, terwijl een roedel wolven die je aanvalt je wilde vertellen dat je je in dat gezin niet veilig voelde. Ik vond ook een Freudiaanse duiding van Roodkapje. De schrijver beweerde dat haar rode hoofddoekje stond voor haar eerste ongesteldheid, en de wolf voor de man die bij wijze van spreken ruikt dat het meisje geslachtsrijp is en klaar om te verslinden. Ik keek in die tijd veel horrorfilms, bij voorkeur met vampieren en weerwolven erin. In die films zat, net als in Roodkapje, vaak een sterk erotisch motief, en een duidelijke rolverdeling: de slachtoffers waren steevast onschuldige jonge vrouwen, terwijl het bloeddorstige monster zelf een getormenteerde oudere man was, door een of ander noodlot veroordeeld tot een parasitair leven in het duister. Ik begon te vermoeden dat die vampiers en die weerwolven iets te maken hadden met wat Carl Gustav Jung de Schaduw noemt. Met die aspecten in onszelf die we onderdrukken omdat de buitenwereld ons laat voelen dat ze onacceptabel zijn: onze wildheid en onaangepastheid, onze wreedheid en agressie, onze dierlijke seksualiteit.

Vanaf dat moment las ik mijn nachtmerrie anders: die wolf stond voor een soort man waar ik steeds weer op viel. Een ietwat mensenschuwe, ietwat geheimzinnige, ietwat tragische man, die heus sociale kanten had, maar uiteindelijk toch het liefst alleen was. Een die nooit lang op één plek of met één iemand kon zijn; die uiteindelijk toch weer aan de roep van de wildernis en het avontuur moest gehoorzamen en in zijn eentje verder moest zwerven. Ik voelde me aangetrokken tot dat soort mannen omdat ze me aan iemand deden denken die ook altijd een beetje onbereikbaar voor me was geweest: mijn vader. En ik had het gevoel dat ik ze begreep, die lone wolves en die dark horses. Omdat ik me net als zij afwijkend, onvoorspelbaar, ontembaar en onacceptabel voelde. Omdat mijn vrijheid en mijn eigenheid me liever waren dan welke relatie dan ook; omdat ik nog liever een vrije outcast was dan geliefd, maar ook geknecht.

Alle begrip en herkenning ten spijt was ik uiteindelijk niet gelukkig in mijn relaties met zulke mannen. Ik verlangde naar meer verbinding en minder gedoe; naar een situatie waarin de ander op een natuurlijke manier naar mij toe zou vloeien in plaats van aldoor van me af te bewegen, en waarin ik niet in reactie op die verwijderende beweging aan hem zou gaan trekken. Naar een soort rust en veiligheid waarin we beiden kwetsbaar konden zijn en ons konden overgeven. Maar ik vroeg me ook regelmatig af: in hoeverre ben ik in staat tot verbinding? En: zou het kunnen dat ik zo gewend ben aan gedoe in relaties dat het vertrouwder aanvoelt dan iets wat gewoon een beetje kabbelt? Dat ik gedoe opzoek, of het creëer als het er niet is?

De schaduw wil gekend worden, zegt Jung. Daarom dient hij zich steeds weer aan als datgene wat we in onszelf en de ander veroordelen, net zo lang tot we begrijpen dat we het niet hoeven te veroordelen omdat het een deel van ons is, net zo goed als alles wat ons applaus, diploma’s en veren in onze reet oplevert.

Als ik schrijf: ‘Als ik niet van de wolf houd, wie houdt er dan van mij?’, bedoel ik daarmee dat ik via de wolf in de ander de wolf in mezelf probeer te omarmen en er vrede mee probeer te sluiten.

 

Geen categorie

De pipo en het lam –

Na de zomervakantie ging het uit tussen mij en Jeroen. We gingen weer aan het werk, hij aan de universiteit, ik thuis, en beetje bij beetje dreven we uit elkaar. Dat was geen nieuwe beweging, maar ditmaal was hij wel sterker dan anders. Steeds vaker wilde hij alleen eten en slapen of in zijn eentje erop uit. Of hij was fysiek wel bij me, maar in gedachten elders. In een van zijn onderzoeksgebieden of verder weg: op wereldreis, op avontuur. Dan keek hij langs me heen, het raam uit, naar de lucht, alsof daar iets oneindig veel interessanters te zien was. Alsof hij wilde wegvliegen met de trekvogels. Als ik de twee trappen die onze appartementen van elkaar scheidden afliep om hem op te zoeken, voelde het alsof ik me op zwaarbewaakt privéterrein begaf of het oog van een storm in stapte. ’s Nachts lag ik wakker in mijn bed met naast me een leeg matras en in mijn armen kleine Willie. Ik drukte haar stijf tegen me aan. Haar vuile vacht rook naar een combinatie van seks, lavendelolie en de lichaamsgeur van Jeroen. Mijn hart trok een beetje samen als ik die lucht opsnoof, als een oester waar citroensap in gesprenkeld wordt. Uiteindelijk dacht ik: dit gaat zo niet, ik moet je loslaten. Toen begon ik hem los te laten en ging het uit, want hij hield mij niet vast.

Als kind heb ik nooit een knuffel gehad waar ik echt van hield. Mijn broertje en ik hadden een vilten Bert en Ernie, een paar met geheimzinnige balletjes gevulde Snoopy’s, een Pink Panther met lange armen en benen waar we graag zo veel mogelijk knopen in legden en nog wat nietszeggende honden en poezen die we op de kermis hadden gewonnen. De enige knuffel waar ik iets van een band mee had, was Polleke, een blonde beer met scharnierende poten en een harde, stekelige vacht. Polleke kwam mijn bed niet in, ik vertrouwde hem voor geen meter. Hij prikte en kriebelde, zijn scharnieren piepten, er stak juten vulsel uit de naden in zijn oksels en zijn rubberen neus moest er steeds opnieuw aan genaaid worden. Omdat ik het niet over mijn hart kon verkrijgen om hem in een doos in het rommelhok weg te moffelen, zette ik hem in de kledingkast tegenover mijn bed, vanwaar hij me met z’n donkere kraalogen nauwgezet in de gaten hield. Soms gromde ik naar hem. Dan vroeg ik: ‘Wat kijk je nou, man? Wat wil je van me?’ En dan zweeg hij onheilspellend.

Toen ik Willie voor het eerst bij de Blokker zag, wist ik meteen dat ze bij me hoorde. Ze hing tussen een een vos en een aap in en keek zo ongebreideld vrolijk en verwonderd dat ik er zelf ook van moest glimlachen. Wat een heerlijk blij ei, dacht ik. Kon iedereen maar wat vaker zo de wereld in kijken. Wat meer als een kind. Misschien verleerden we dat wel op het moment dat we onze knuffels opborgen, omdat we hun gezichtsuitdrukkingen dan niet meer hoefden te spiegelen. Dat was meer iets voor de nul- tot tienjarigen, zoals op het schap aangegeven stond. Na je tiende moest je normaal gaan doen. Dan moest je je serieuze gezicht opzetten.

Ik kocht Willie niet meteen, al voelde ik de aandrang wel. Een of twee keer per week, als ik op weg naar de supermarkt door de Blokker liep, ging ik even kijken of ze er nog was. Dan voelde ik aan haar fluweelzachte lammetjesvel en trok wat aan haar oren, en voelde ik die grijns weer op mijn gezicht verschijnen. Op een ochtend in het vroege voorjaar, toen Jeroen en ik ruzie hadden gehad omdat ik hem had verteld dat ik mijn spiraal wilde laten verwijderen, parkeerde ik mijn fiets voor de winkel. Ik liep naar binnen, nam Willie van het schap en bracht haar naar de kassa. Ik wist toen trouwens nog niet dat ze Willie heette. Daar attendeerde de caissière me op toen ze het prijskaartje bestudeerde: ‘Gaat, eh, Willie zo mee of wil je d’r een tasje omheen?’ ‘Nee hoor hoeft niet, dank je’, zei ik haastig, wijzend op mijn bruine pukkel. Een lammetje in een plastic tas vervoeren leek me niks. Het moest wel levend aankomen.

Toen ik thuis kwam, belde mijn vriendin Aleid. ‘Wat ben je aan ’t doen, Claus? Wat heb je aan?’, vroeg ze. ‘Ik heb net een knuffel voor mezelf gekocht’, zei ik, terwijl ik Willie uit mijn tas haalde en haar verloste van het kaartje. ‘Ik had ‘m al heel lang in het vizier, maar ik durfde ‘m steeds niet mee te nemen omdat ik het gênant vond dat ik op m’n veertigste nog naar een knuffel taalde. Ik dacht: dat staat vast ergens voor. Voor een of ander gebrek of gemis waarvoor ik altijd blind ben geweest. Maar vandaag had ik opeens zoiets van: mens, hou op met dat geanalyseer, doe eens iets op intuïtie. Ik heb als kind nooit een fijne gehad, en deze was zo lekker zacht.’ Aleid moest lachen. ‘Ik vind het mooi’, ze ze. ‘Een mooi gebaar en een lief kado aan jezelf. En volgens mij heeft leeftijd er niks mee te maken. Het is iets basaals, zo’n knuffel; iets met geur en tastzin enzo. Ik heb de mijne ook nog, ik kan niet slapen als ik niet weet waar ze zijn.’ ‘Echt?’, vroeg ik opgelucht. Ik voelde me meteen een stuk minder betrapt.

Een paar dagen later stelde ik Willie aan Jeroen voor. Ik had toen al een paar nachten met haar geknuffeld, waardoor ze een beetje gekreukeld was geraakt, ook tussen haar achterpoten. ‘Dit is Willie’, zei ik. ‘En het is een meisje. Kijk maar, ze heeft een flinke snee.’ Gelukkig deed Jeroen er ook niet raar over dat ik een pluchen schaap voor nul- tot tienjarigen had gekocht. Zijn oude knuffels zaten op een boomstam die boven het hoofdeinde van zijn bed hing. Een pastelkleurig beertje waarvan één poot gespleten was omdat het jarenlang met zachte dwang in twee neusgaten tegelijk was geduwd, en een hondje met betraande ogen dat zich verschool achter z’n lange flaporen. Beer en Droefie, heetten ze. Ze hadden al jaren verkering, maar het had niet echt geholpen om Droefie op te vrolijken.

Die nacht droomde ik dat we als drie lepels in bed lagen, ik met Willie tegen mijn borst aan en Jeroen met mij tegen de zijne. Het was warm, vertrouwd en sensueel en ik voelde me intens gelukkig. Toen gebeurde er iets vreemds: ik voelde dat Willie een harslag kreeg en begon te ademen en groeien, en opeens had ik een levend lammetje in mijn armen, dat zacht spartelde en kleine mekkerende geluidjes maakte. Ik keek over mijn schouder om te zien of Jeroen het ook doorhad, maar die lag te slapen met een brede glimlach om zijn lippen. Toen ik me weer omdraaide, was het lammetje veranderd in een slapende baby in een wit wollen rompertje. Ik was zo verbijsterd en verwonderd dat ik niks durfde te zeggen. Ik durfde niet eens meer te ademen of te bewegen. Ik was bang dat alles, als ik ook maar een vin zou verroeren, zomaar in rook kon opgaan. Ik keek met grote ogen naar de roze, rustig ademende baby. Ik voelde Jeroens warme huid tegen de mijne.

In de nazomer vertelde ik mijn droom over het lam en het kind aan twee vrienden. We waren aan het zwemmen in de Drentse Aa, hun zoontjes van twee en vier zaten op de oever met modder te gooien. Ik zei: ‘Nu Jeroen er niet meer is, zijn die baby en mijn kinderwens opeens ook heel ver weg. Nu ben ik bang dat ik de rest van mijn leven met een knuffellam in mijn armen zal rondlopen.’ Ik moest denken aan het geel-groene interieur van onze tent. Aan hoe we daar een maand geleden nog in hadden gelegen, opgaand in elkaars aanwezigheid. We luisterden naar de krekels en de wind in het ravijn, we tuurden naar de heldere sterrenhemels van de Provençaalse nacht. Ik probeerde te begrijpen hoe we van daar naar hier waren geraakt, waar we de verkeerde afslag hadden genomen. Het lukte me niet. Ik kon het niet meer terughalen. Van hieruit konden we alleen nog maar vooruit, de mist en het niemandsland in.

Ik bleef ademhalen, opstaan en doorgaan. Ik hield afstand, ik deed belastingaangifte, ik solliciteerde, ik schreef, ik danste met vrienden in woonkamers omdat de disco’s dicht waren, ik ging weer hardlopen. Soms gebeurde er iets onverwachts: dan vloog er een koppel patrijzen op als ik langs het kanaal rende, of belde een vriend uit Zuidafrika die ik al een jaar niet had gesproken. Uiteindelijk besloot ik dat Willie maar eens in bad moest. ‘Je bent vies, smeerdoos’, zei ik. Ik legde haar in een badje van wolwasmiddel en ging naar de markt. Toen ik met volle boodschappentassen terugkwam, dobberde ze in de gootsteen rond, brandschoon en glimlachend. De nachtmerrie van elke peuter, dacht ik: een gewassen knuffel. Ik hing haar aan haar oortjes aan het wasrek om te drogen.

Toen ik mijn neus weer in haar vel drukte, constateerde ik dat ze niet meer naar Jeroen rook. Ergens was ik opgelucht, maar ik moest ook een beetje huilen. Ik deed een meditatie-oefening die ik net geleerd had, waarbij je alles wat je ineen doet krimpen inademt en je op je uitademing voorstelt dat je van binnen ruimtelijk wordt. Nadat ik de oefening voor mezelf gedaan had, herhaalde ik haar met Jeroen in gedachten. Ik visualiseerde hem in zijn pipowagen op de camping bij boer Jochem waar hij nu woonde, en wenste hem alles wat hij nodig had om zich van binnen ruimtelijk te kunnen voelen: contact met zichzelf, vertrouwen in anderen, ontspanning, plezier, moed, avontuur. Op de foto die hij me een paar weken terug stuurde, stond een stapel houtblokken waar een pop op zat met een wit geschminkt gezicht en rood peenhaar. ‘Het is een pipo’, schreef hij. ‘Hij heet Egbert Eduart Eggelsen. Misschien wil je t.z.t wel een keer kennis met hem komen maken.’

 

Geen categorie

Deepfake, superficial all –

De eerste keer dat ik een deepfake video zag, was in 2018. Jordan Peele, de komiek en horrorfilmregisseur, liet Barack Obama rare dingen zeggen. Dingen als: ‘President Trump is a total and complete dipshit’ en ‘Stay woke, bitches’. Halverwege de video verscheen Peele zelf in een split screen om te laten zien dat hij met zijn eigen gezicht dat van Obama manipuleerde, als een poppenspeler on AI. De waarschuwing was duidelijk: Vanaf nu kunnen onze vijanden ons doen geloven dat wie dan ook wat dan ook zegt, op welk moment en waar ter wereld dan ook.

We waren net twee jaar op weg met Trump, die zijn mond vol had van fake news terwijl steeds duidelijker werd dat hij hoogstwaarschijnlijk met Russische steun de verkiezingsuitslag had gemanipuleerd in zijn eigen voordeel. Ik herinner me dat ik voelde hoe mijn nekhaar omhoog ging staan toen ik Jordan Peele in beeld zag verschijnen en begreep waarnaar ik zat te kijken. Ik zag de nieuwe werkelijkheid al voor me: je oren en ogen voortdurend moeten wantrouwen, een geluidsfragment tien keer opnieuw beluisteren, bewegend beeld van links naar rechts en van onder naar boven checken en dubbelchecken, bronnen traceren, met vrienden bellen: wat denk jij, is dit echt, moeten we hier iets mee? De geweldsuitbarstingen en de polarisatie die deepfake tot gevolg zou kunnen hebben, het gevoel van opgeslotenheid in de eigen subjectieve waarneming; het vervagen van begrippen als objectiviteit, identiteit en eigenaarschap.

Ik moest denken aan A scanner darkly, de scifi-roman van Philip K. Dick, waarin grote delen van de Amerikaanse bevolking in een diepe staat van paranoia en dissociatie verkeren. Substance D, een harddrug die hevige hallucinaties veroorzaakt, heeft zich als een epidemie over het continent verspreid. Undercoveragenten die drugskartels moeten oprollen maken gebruik van zogeheten scramble suits (je zou ze ook deepfake suits kunnen noemen): pakken die hun voorkomen en stem voortdurend doen veranderen, waardoor ze zelfs zichzelf en elkaar niet meer kunnen herkennen. Waarheid is een volledig subjectief en inwisselbaar begrip geworden. Omdat niemand meer weet wie wie is en wat echt is, bespioneert de regering zijn burgers; bespioneren spionnen en gewone burgers elkaar.

Vorige week las ik op NOS.nl dat 96 procent van alle deepfakes deepnudes zijn, al dan niet bewegende beelden waarin mensen ongevraagd en ongewild naakt verschijnen, vaak in pornografische scenario’s. De eerste DeepNude-app, die het mogelijk maakte om vrouwen op foto’s digitaal ‘uit te kleden’, werd kort nadat hij verschenen was door de maker offline was gehaald omdat de kans op misbruik te hoog was gebleken. Er maakten onder andere veel boze exen gebruik van, waardoor een geheel nieuw pornogenre was ontstaan: de wraakporno.

Maar zoals bleek uit het geval van Rana Ayyub is bewegend beeld gegenereerd met deeplearningsoftware al zo overtuigend dat deepnude ook effectief gebruikt kan worden voor verderstrekkende vormen van intimidatie, van slutshaming en virtuele aanranding tot afpersing en doodsbedreigingen aan toe. Ayyub, een Indiase onderzoeksjournaliste die zich kritisch had uitgelaten over onder andere hindoefundamentalisme in West-India, werd eerst overspoeld met bedreigingen als gevolg van een fake tweet die op haar account verscheen. Vervolgens vernam ze via een vriendin dat een vernederende deepfake pornovideo viraal was gegaan, waarin haar hoofd op het lichaam van een porno-actrice was geplakt. De beelden leken blijkbaar zo echt dat zelfs familieleden aan het twijfelen gebracht waren.

Intussen wordt deepfake óók ingezet voor rouwverwerking, en ik kan me zo voorstellen dat gestalttherapeuten en traumaspecialisten er evengoed raad mee zouden weten. Ik vind eigenlijk dat ik deze ontwikkelingen zou moeten toejuichen en verwelkomen, maar ik merk ook dat ik er waanzinnig veel weerstand bij voel. Het idee dat het allemaal niet echt is en dat echt toch beter is, zit er bij mij diep in. Als ik mezelf de vraag stel wat ik dan precies onder echt versta, kom ik uit bij noties als direct, fysiek, complex en confronterend.

Ik baseer me daarbij op mijn eigen ervaringen in virtuele omgevingen; ervaringen van relaties op afstand onderhouden, van vergaderen, werken, ruzie maken en vrijen op afstand. Het is hartstikke fijn dat het kan, elkaar horen en zien terwijl er halve werelden tussen zitten. Toch heeft het weinig te maken met de directheid en indringendheid van een fysieke ontmoeting, en ik denk dat het menselijk lichaam en de menselijke psyche daar wel op gebouwd zijn – op fysieke ontmoetingen. Op aanraking, op oogcontact en op het gedetailleerd lezen (kijken, luisteren, ruiken, voelen, proeven) van elkaars lichamelijke signalen.

Via een scherm communiceren is niet hetzelfde als elkaar in de ogen kijken, als de ander in je persoonlijke ruimte toelaten of ervoor moeten zorgen dat hij die ruimte respecteert; niet hetzelfde als een arm om je schouder of een gebalde vuist die voor je neus hangt. Een virtueel gereanimeerde versie van je geliefde alle vragen kunnen stellen die je hem bij leven had willen stellen (en dan min of meer wenselijke antwoorden krijgen) is niet hetzelfde als leren leven met met ongewisse van het niet-weten, met het onaffe van een abrupt einde. Met de lege plek op het matras naast je, op de stoel tegenover je, in zijn kleren, in je armen.

Waar ik bang voor ben, is dat het de weg van de minste weerstand is: gemakkelijker, oppervlakkiger. Ik vind daar iets van omdat ik het idee heb dat frictie, hindernissen en obstakels mij sterk en veerkrachtig hebben gemaakt; dat ze me hebben helpen groeien. Maar misschien is dat wel een romantisering die ik nodig heb om nog iets van zin of een doel te ontdekken in de moeilijkheden die ik op mijn pad ontmoette. Eén die voortkomt uit precies datzelfde verlangen naar heelheid en rondheid waar ik zo’n weerstand tegen voel als ik het bij een ander zie. Of uit een strenge, een zuinige, een calvinistische gedachte: geluk moet je verdíenen.

Hoe dan ook, mijn angst voor onechtheid en mijn vooroordelen over mensen die voor het gemak kiezen, zeggen ongetwijfeld meer hoe ik zelf in elkaar steek dan over de therapeutische effecten van deepfaketechnologieën.

Geen categorie

Niks te verbergen –

Elk jaar nodigt mijn goede vriendin Saar me uit om deel te nemen aan een eigenaardig ritueel: de Koolvaart, door fanatieke beoefenaars ook wel liefkozend ‘de tochtigste der tochten’ genoemd. Het idee van de Koolvaart is dat op het guurste moment van de winter, meestal eind februari, met een grote groep vrienden een afmattende voettocht wordt ondernomen over het Groningse of Friese platteland achter de dijken. Het parcours loopt dwars door sloten en zompige boerenvelden, door stukruilverkaveld gebied en over naargeestige industrieterreinen. Hoe troostelozer, hoe beter. Eigenlijk is het ook de bedoeling dat het tijdens de Koolvaart vriest, regent, hagelt en sneeuwt tegelijk, al valt dat de afgelopen jaren vanwege het veranderende klimaat steeds vaker tegen.

De eindbestemming van de tochtigste tocht is een plaatselijk restaurant, liefst een buurtcentrum of feestzaal met bruin behang en Perzische tapijten op tafel, waar de gezamenlijke inspanning wordt beloond met een bord boerenkool (al dan niet met worst). Omdat veel deelnemers zich tijdens de tocht warm houden met sterke drank uit veldflessen, storten sommige al tijdens het avondmaal in. Onder diegenen die het nog bij elkaar kunnen houden ontstaat een uitgelaten sfeer die het midden houdt tussen uitputting, opluchting en een runner’s high. Met dit verbroederende ritueel wordt jaarlijks het symbolische startschot voor de lente gelost. Van dan af aan kan alles alleen nog maar bergerop gaan.

Tot twee jaar geleden had ik altijd vriendelijk bedankt voor de uitdaging, maar in 2019 pakte ik de handschoen dan toch eindelijk op. De Koolvaart van dat jaar, tevens het 15-jarig jubileum van het evenement, begon in Uithuizen en voerde via de Eemshaven naar (zo stond het op de website) ‘het meest noordelijkste hotel van Nederland’ in Roodeschool. Nadat we uren over landweggetjes hadden gelopen bereikten we over de zeedijk en een metalen overbrug het industrieterrein. Het eerste dat we zagen, was het grootste windpark ter wereld, dat aan onze linkerzijde uit de mist opdoemde. Minder in het oog springend, maar evengoed reusachtig, was het Google datacentrum aan onze rechterhand; een van de grootste van Europa. Het was hier gevestigd, vertelden onze expeditieleiders opgewonden, omdat ergens in de buurt een belangrijke trans-Atlantische glasvezelkabel binnenkwam. De windmolen- en zonneparken van de Eemshaven leverden de energie die nodig was om het datacentrum draaiende te houden.

Hoe dichterbij we kwamen, hoe idiosyncratischer het gebouw ons voorkwam. Daar lagen ze dan, de zwaar beveiligde hersenen van het internet. In een nondescripte, grijs-wit geblokte doos. ‘Kijk’, zei één van ons en wees op een bordje, waarop te lezen stond dat je je niet binnen een straal van zo- en zoveel meter van het gebouw mocht begeven en dat het verboden was om hier te graven. ‘Ja, stel je voor dat we hier zouden gaan graven’, riep een ander van ons. ‘Dat kunnen ze natuurlijk niet hebben, dat al die poezenfilmpjes dan ineens op straat liggen.’ Ik moest hard lachen om dat grapje. Het deed me denken aan al die mensen die met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid zeggen: ‘O, maar van mij mogen ze alles weten, hoor. Ik heb niks te verbergen.’

In Geert Mak’s nieuwste serie De geschiedenis op heterdaad betrapt worden mensen in beeld gebracht die zich bezig houden met het verzamelen, opslaan, vervalsen, vernietigen en reconstrueren van informatie. Ze hebben alle leeftijden, genders en nationaliteiten, en vaak zijn het doodgewone mensen. Waar de een geschiedenis schrijft en bepaalt wat wij ons herinneren, is de ander druk doende die geschiedenis weer uit te vlakken om ervoor te zorgen dat we hem vergeten. Beetje bij beetje roept Mak het verontrustende, maar ook enigszins komische beeld op van twee ijverige legers die als voornaamste doel hebben om elkaars werk ongedaan te maken, dag na dag na dag na dag na dag. Onze wens om te controleren wie het verhaal vertelt is van alle tijden; hij lijkt wel in ons DNA verankerd te zijn. Alsof de waarheid van de ander te confronterend is; alsof we alleen onze eigen lezing van de werkelijkheid verdragen.

Een van de meest markante figuren uit de serie is een voormalige Stasi-man die zijn talent voor het opsporen van goed verstopte informatie tegenwoordig inzet om verdoezelde oorlogsmisdaden aan het licht te brengen. In zijn huis vol reusachtige computerschermen, waarop beelden van surveillancecamera’s te zien zijn, vertelt hij over het moment vlak na de val van de Muur. Terwijl woedende betogers het hoofdkwartier van de Stasi bestormden, stonden hij en zijn collega’s achter vergrendelde deuren spionagedossiers in shredders te proppen, te verscheuren en verbranden. Een hopeloze onderneming, gezien de omvang van de archieven. Toch lukte het ze om genoeg schade aan te richten om ervoor te zorgen dat tot op de dag van vandaag een team archivarissen druk doende is om vuilniszakken vol versnipperd materiaal opnieuw in elkaar te plakken.

Het interieur van het Stasihoofdkantoor, met zijn eindeloze rijen archiefkasten vol papieren dossiers, zijn bureaus vol prehistorische telefoons, faxmachines, computers en printers en zijn kilometers lange snoerennetwerk dat zijn tentakels uitspreidde tot in de haarvaten van de samenleving, vertoont een opvallende, maar natuurlijk niet toevallige gelijkenis met dat van de Googlecentrale in de Eemshaven. In moderne datacentra werken aanzienlijk minder mensen, je vindt er minder papier en meer machines en de eindopdrachtgevers van de spionage die er bedreven wordt zijn eerder marktleiders dan politici. Toch hebben de gebouwen eenzelfde klinische, efficiënte uitstraling, en kun je er als je erover nadenkt ook niet omheen dat ze nagenoeg dezelfde doelstelling hebben: het bestaan van burgers nauwgezet in kaart brengen; bijhouden wat we doen, wat we lezen, wie onze vrienden zijn en waar we komen. En, zoals bleek uit documentaires als CitizenfourThe Great Hack en The social dilemma, om ons denken, voelen en handelen te beïnvloeden en veranderen. Om ons te laten doen wat commerciële en politieke partijen willen dat we doen, en om ons (mocht dat zo uitkomen) tegen anderen of tegen onszelf op te zetten.

Onschuldige informatie bestaat niet, totalitaire regimes laten dat keer op keer zien. Ik herinner me dat ik me die dag in de Eemshaven probeerde voor te stellen hoe iemands voorliefde voor poezenfilmpjes kon worden gebruikt om hem te breken. Diverse scenario’s trokken aan mijn geestesoog voorbij: een wekenlange 24/7 audiomarteling van gemiauw op orkaanvolume, eenzame opsluiting met honderd grumpy cats, kopje onder worden geduwd in een tsunami van donzige schattigheid. Ik zag het nog niet helemaal voor me, maar ik wist zeker dat iemand creatief genoeg zou zijn om er een gat in te zien. En anders wel in die schemerige zoekopdrachten die de verdachte na middernacht in Google had ingevoerd, omdat DuckDuckGo toch minder goed leek te begrijpen wat hij wilde.

Geen categorie

Zo’n fysiek beroep –

Ik keek de nieuwe documentaire van Judith de Leeuw en ervoer die als één groot feest der herkenning, al is feest in dit verband misschien een raar woord. De Leeuw trok een jaar op met Ruut Weissman, de voormalig artistiek leider van de Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie die een paar jaar geleden erkende dat hij als dertiger tot driemaal toe een verhouding had met een van zijn studentes. Nu, in deze documentaire, zegt hij hardop dat hij vanuit een machtspositie misbruik heeft gemaakt van die studentes, en dat het maar eens afgelopen moet zijn met mannetjes zoals hij. Wel op instructie van de Leeuw, maar desalniettemin – hij zegt het.

Al in de eerste minuten van de film wordt duidelijk dat de Leeuw Weissman heeft gevraagd of zij en haar camera aanwezig mogen zijn als hij een theatermonoloog over zijn eigen grensoverschrijdende gedrag regisseert. Alsof het niet al wonderlijk genoeg is dat Weissman hiermee heeft ingestemd, blijkt Harriët Stroet, de actrice die de monoloog moet uitspreken, ook een persoonlijke relatie met het onderwerp te hebben: zij heeft zelf als middelbare scholier een verhouding gehad met een van haar leraren. Ik vond de opzet van de Leeuw direct sterk: èn een man die gewend is het narratief te bepalen vragen de regie uit handen te geven aan een vrouw, èn hem confronteren met een slachtoffer van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Ook andere keuzes die ze heeft gemaakt, zoals die om het maakproces van de documentaire in beeld te brengen en off camera-gesprekken in de documentaire te monteren, vond ik slim en prikkelend. Ze speelt op allerlei levels behendig met concepten als grensoverschrijding, privé en publiek. Zo zet ze een gelaagd verhaal neer, waarin rollen worden omgedraaid en het grote het kleine spiegelt en andersom. Wat er tussen Weissman en de twee vrouwen gebeurt is een herhaling was van alles wat er de afgelopen jaren als gevolg van de MeToo-beweging is gebeurd en nu nog steeds gebeurt.

Ik herkende mezelf in Stroet en de Leeuw, terwijl ik in Weissman een aantal mannen terug zag die een bepalende rol hadden gespeeld in mijn leven. Ik wist precies waarom de regisseur me zo aan ze deed denken. Het was dat sturende en dwingende, die verwrongen combinatie van onzekerheid en zelfoverschatting, dat onvermogen tot introspectie en zelfkritiek gepaard met een zeker slachtofferschap. Die triggerde me, omdat hij net als destijds met die mannen van alles tegelijk bij me opriep: angst, agressie, walging, medelijden en iets wat een psycholoog waarschijnlijk als een Messiascomplex zou omschrijven. Ik wilde dat soort mannen helpen, redden, repareren.

Als Weissman zegt: ‘In die tijd was ik echt wel een lekker ding. Als ik jou toen ontmoet had, was jij zéker op mij gevallen’, voel ik iets van medeleven. Ik zie een man die niet graag in de spiegel kijkt en die teert op foto’s van de jonge god die hij eens was; dat gevoel begrijp ik enigszins, aangezien ik weet hoe het is om onzeker te zijn over je uiterlijk, en ik zelf ook niet meer in de categorie begeerlijk jong val. Ik zie ook een man waar een gat in zit, die eet alsof zijn leven er vanaf hangt en over wie vrouwen die hem kennen zeggen dat vrouwen voor hem zijn als eten: ‘het maakt niet uit of het lekker is of klasse heeft, zolang zijn bord maar vol ligt’. Die man vind ik zielig en onsmakelijk, maar hij houdt me ook een spiegel voor waar ik niet graag in kijk. Ook ik liep lange tijd rond met zo’n niet te vullen gat in mij, dat maakte dat ik mijn emoties wegat, wegsekste, wegkocht of wegrende.

Als hij zegt: ‘Ik heb een intrinsieke drang om te floreren, al was het alleen maar om aan mijn moeder te bewijzen dat ze niet voor niets de kampen heeft overleefd’, meen ik daar iets kokets in te horen wat in mijn beleving bij kampen past als slagroom bij zure haring. Alsof die kampen een soort troefkaart zijn die je naar believen kunt inzetten; een levensgroot ‘ja maar’. Datzelfde ‘ja maar’ hoor ik terug in Weissman’s van weinig zelfkritisch vermogen getuigende excuses voor het misbruik dat hij pleegde: ‘Het was een andere tijd, een vrije tijd’; ‘Ik was misschien een beetje ouder, maar nu ook weer niet zo heel veel ouder dan die studentes’; ‘Die ex-leerlingen zijn gewoon gefrustreerd omdat ze geen goede actrices waren en aanvoelden dat ik dat zag’.

Ik snap heus waarom hij er niet aan wil: het is te pijnlijk om onder ogen te zien, hij is er nog niet klaar voor, nu niet en misschien nooit wel niet. Maar zijn tweeslachtige houding irriteert me ook, en confronteert me met mijn eigen bloeddorst in dezen. Ik merk aan alles dat ik een hapklaar en eenduidig antwoord wil horen: geeft hij nu wel of niet toe dat hij vanuit een machtspositie misbruik heeft gemaakt? Is het nou een lul, ja of nee?

Op die vraag geeft de film van de Leeuw gelukkig geen antwoord. Wat ze wel laat zien, is dat Weissman serieus worstelt om het boetekleed met volle overtuiging aan te trekken. Keer op keer zie je hem omtrekkende bewegingen maken en paniekerig protest aantekenen tegen de verhalen die de beide vrouwen willen vertellen. Eerst besluit hij op een zeker moment zonder overleg met Judith dat het veel beter voor de film is om de oorspronkelijke theatertekst te vervangen door een tekst die Harriët heeft geschreven; een tekst die voor de duidelijkheid niet gaat over zijn eigen vergrijpen, maar over Harriëts verhouding met haar leraar.

Nadat hij het onderwerp aldus op een voor hem comfortabele afstand meent te hebben geplaatst, wordt ook de spiegel die Harriët’s tekst hem voorhoudt al gauw weer te confronterend, en begint hij de actrice te vertellen wat er allemaal niet aan deugt aan haar stuk. Steeds weer zie je hem met een overrompelende vanzelfsprekendheid de regie naar zich toetrekken en de vrouwen uitleggen waar hun verhaal over gaat en hoe ze het moeten vertellen. Proberen ze hem duidelijk te maken wat zij vinden en willen, dan begint hij als een kind te schreeuwen en stampvoeten: ‘Als je zo gaat beginnen, kappen we ook maar gelijk helemaal mee!’ ‘Dit accepteer ik niet!’ ‘Wat zit ik hier anders te doen met mijn dure tijd?’

Intussen constateer je als kijker dat Stroet er helemaal geen moeite mee heeft om datzelfde boetekleed aan te trekken en zichzelf te bevragen. Op zoek naar de waarheid keert ze elke steen om: wat trok mij aan in de leraar met wie ik een verhouding had, wat deed ik om zijn aandacht te trekken, waarom deed ik wat hij van me wilde, waarom heb ik mezelf zo lang gehaat om wat er is gebeurd? In plaats van te wijzen naar de man sympathiseert ze met hem. Ze leeft zelfs mee met mannen wiens leven op zijn kop staat vanwege aantijgingen van seksueel misbruik, en zet zichzelf aan de kant om Weissman te helpen de confrontatie aan te gaan: ik snap hoe moeilijk dit is, misschien komt het je te dichtbij, hoe kunnen we dit werkbaar maken? Ergens bewonder ik haar mildheid en haar geduld, maar ik vind het ook ontzettend irritant, en ik weet waarom. Dat begrip en medeleven voor iedereen behalve jezelf, die eindeloze ruimte voor het gedoe van een ander – dat ben ik ten voeten uit.

Toen Judith ergens hardop constateerde dat ze het ingewikkeld vond om Ruut een stap voor te blijven, ontsnapte mij een ‘JEZUS, JA’ dat klonk alsof het uit mijn tenen kwam. Toen hij daar zelfgenoegzaam en veel te snel op antwoordde: ‘Ja, en daar moet je hard voor werken. That’s it‘, wilde ik graag heel hard iets tegen een muur gooien. Ik had een kopje thee in mijn hand, maar dat vond ik uiteindelijk toch een iets te mooi kopje. Om eerlijk te zijn heb ik nog niet zo vaak iets opzettelijk kapot gegooid. Afgezien van die ene keer dan, toen mijn laptop spontaan ontvlamd was nadat ik er net een dertig pagina’s tellend essay over Baudelaire op had geschreven.

Er was de man met wie ik een organisatiebureau opzette, die steeds weer aan mijn vrienden vertelde dat hij gek op me was en zich eens in een dronken bui liet ontvallen dat het hem prachtig leek als de directie van het bureau nog eens één stormachtige nacht met elkaar zou beleven, maar die als ik hem op klaarlichte dag vroeg of hij verliefd op me was (omdat het me een belemmering voor onze zakelijke samenwerking leek) terugmauwde dat ik me niks hoefde te verbeelden. Die toen ik dacht dat hij intussen ouder en wijzer was was geworden een zakenreis naar Vlaanderen boekte, maar niet vertelde dat hij had gezocht naar Airbnb’s met tweepersoons bedden. Die tijdens die reis nacht na nacht mijn helft van het bed op kroop en het niet leek te begrijpen als ik hem wegduwde, zijn handen van me af pelde of ten einde raad in de logeerkamer of op de bank ging liggen.

Er was de uitgever die in de keuken van de uitgeverij altijd toevallig precies in het kastje moest zijn waar ik voor stond, en als we samen in de auto zaten in mijn portiervakje. Steeds weer pakte me bij mijn middel beet om me éven aan de kant te zetten, ging hij met zijn dikke buik over me heen liggen om een dropje of een kaart te pakken. Opvallend vaak schoten zijn handen daarbij  per ongeluk een beetje uit, waardoor ze langs mijn billen streken of stuntelig mijn benen vastgrepen. Als ik tegen hem zei dat dat nergens voor nodig was en dat ik heus niet te verlegen was om erom te vragen als ik er behoefte aan had, kreeg hij een knalrooie kop. Dat verwarde me: kon je tegelijkertijd verlegen en hondsbrutaal zijn? Kickte hij er soms op als ik hem streng toesprak?

Er was de dichter wiens vrouw recent overleden was en die, dat zag ik in zijn ogen toen hij me van de trein afhaalde, van mij de muze had gemaakt die hem nog één keer moest doen bloeien. Toen hij tijdens de rondleiding door zijn huis enthousiast op zijn bejaardenbed ging zitten wippen en ik zei dat het me speet maar dat dát niet ging gebeuren, ontstak hij in een wanhopig soort woede: wat dacht ik dan dat de bedoeling van dit hele gebeuren was, waarom had ik hem zo vals bespeeld?

Er was de dichter / vertaler / zanger / acteur / assessmenttrainer die zijn vrouw voor mij verliet en die me eerst de hemel in prees, me toen elke dag een beetje meer begon te psychologiseren en me vervolgens vertelde dat mijn neus scheef stond en de rest van mijn gezicht trouwens ook. Die een anderhalve literfles water naar mijn hoofd gooide toen ik tijdens een benauwende vakantie in Frankrijk tegen hem zei dat ik het uit wilde maken, en die op de avond dat we ons laatste gezamenlijke maal bereidden een groot mes begon te slijpen, dat hij vervolgens strak tegen mijn keel zette ‘omdat ik de hik had’.

Al deze mannen waren ouder dan ik, de één zeven jaar, de ander ruim vijfentwintig. Tegen allemaal keek ik een beetje op, als tegen een leraar. Waarom? Omdat zij zich in de wereld leken te bewegen als vissen, iets waarmee ik beduidend meer moeite had. Ik dacht altijd dat dat aan mij lag – dat ik te gevoelig was, dat ik te zwaar aan dingen tilde en me alles te veel aantrok, zoals mijn ouders altijd tegen me hadden gezegd. Leven voelde voor mij altijd een beetje als door een pan ingedikte erwtensoep ploegen.

Later begreep ik dat mijn gevoeligheid niet de enige reden was dat de maatschappij niet aanvoelde alsof hij niet voor mij gemaakt was. Dat ik om in die maatschappij een plek te veroveren waar ik zelf tevreden mee was een andere weg af te leggen had dan die mannen, misschien wel een langere weg. Een van naar buiten treden in plaats van mijn blik keer op keer naar binnen te richten en het bij mezelf te zoeken. Een van zeggen: hier gaat het volgens mij anders óók over, dit accepteer ík niet, dit is hoe ík wil dat we het gaan doen. En: dat wat ik zeg niet strookt met jouw idee van jezelf en de wereld, betekent nog niet dat het onwaar is.

Nadat ik de documentaire had gezien, wisselde ik erover van gedachten met twee vriendinnen. Ik schreef hoe sterk ik het vond dat de Leeuw Weissman niet neerzet als een monster. Dat ze ook zijn zachte, kwetsbare kant belicht, en dat die invoelende benadering het mogelijk maakte om de nuance op te zoeken. Om het verhaal van de mot en de vlam echt van twee kanten te belichten, de verantwoordelijkheid van beide partijen te bevragen in plaats van in zwart-witte narratieven over dader- en slachtofferschap te vervallen. Ik schreef ook over mijn eigen ervaringen en zei dat ik die ongetwijfeld op Weissman projecteerde, waardoor ik er moeite mee had om zijn excuses als oprecht te zien. Dat ik me afvroeg of hij eraan toe was om te doorvoelen wanneer hij zich in het hellende vlak richting grensoverschrijding had begeven, en er alert op te zijn op het moment dat het nog eens zou dreigen te gebeuren.

Mijn ene vriendin bleek net als ik een relatie te hebben gehad met een dwingende, manipulatieve man, waarin ze zichzelf was verloren en steeds weer over haar grenzen heen was gegaan. Ze had er een verhaal over geschreven dat in De Gids was gepubliceerd, waarop de man haar een ietwat gepikeerd mailtje had gestuurd. Ze schreef: ‘wat ik me wel kon voorstellen en wel had verwacht.’ Ik schreef terug dat ik het dapper van haar vond en dat ik er vaak over had gedacht om te schrijven over mijn ex, de dichter / vertaler / zanger / acteur / assessmenttrainer, maar dat ik het ergens toch nog eng vond. Ook omdat hij me nadat het uit was nog een tijdje stalkmails had gestuurd waardoor ik me soms een beetje aangerand voelde. Ze zei: ‘Ik snap dat je niet wil dat die ex weer contact zoekt. Maar je bent iemand anders nu, en minder gevoelig voor zijn gedoe.’

Mijn andere vriendin, die beter is in het aangeven van haar grenzen en dus nooit in dergelijke relaties met mannen verzeild is geraakt, bleek milder naar Weissman te kijken dan ikzelf. Toen ik schreef: ‘Ik geloofde hem niet toen hij zei dat het maar eens afgelopen moest zijn met mannetjes zoals hij. Ik verdacht hem ervan dat hij dat zei om die vrouwen te vriend te houden, van wiens goedkeuring zijn zelfbeeld op een bepaalde manier toch afhankelijk is. En misschien ook wel een beetje om schoon schip te maken, om er voor eens en altijd vanaf te zijn’, schreef zij terug: ‘Misschien. Maar hij heeft er toch voor gekozen om mee te werken aan de documentaire. Dat hoefde hij niet te doen.’

Iets anders wat ik interessant vond, was hoe verschillend mijn vriendinnen en ik een sleutelmoment uit de documentaire hadden beleefd. Het was het moment waarop Ruut tijdens een repetitie Harriëts houding corrigeert, waarbij hij een hand op haar onderbuik legt om haar duidelijk te maken dat ze het dáár moet voelen en haar over haar gezicht en door haar haren strijkt om ervoor te zorgen dat ze stopt met fronsen. Over dat moment zei Judith de Leeuw in een interview met Trouw: ‘Maar ze ademt en zingt daarnaar beter. Ze ontspant haar buik.’ Toen de interviewer daarop tegenwierp dat het anders was geweest als de actrice twintig was geweest, antwoordde ze: ‘Ja, het is een probleem. Ik ben blij dat ik zelf geen actrice ben, zo’n verhouding tussen regisseur en acteurs is heel kwetsbaar.’

Ik voelde een bepaalde walging bij die scène. Als vanzelf moest ik aan mijn collega van het organisatiebureau en aan de uitgever denken. Aan hoe ze op onbewaakte momenten ineens achter me stonden of tegen me aan begonnen te schurken, waarbij hun handen op de een of andere manier altijd geheel ondanks hunzelf over mijn lichaam verdwaalden. Aan hoe ze uit hun muil stonken, aan de ongepaste opmerkingen die ze konden maken en waar mijn mond om lachte terwijl mijn hoofd dacht: gátver. Ik moest toegeven, het was niet helemaal hetzelfde. Weismanns aanrakingen waren zakelijk, of althans, dat moesten we geloven.

De Leeuw geloofde dat wel. In hetzelfde interview met Trouw zei ze dat acteren nu eenmaal ‘zo’n fysiek beroep’ was. Toch vroeg ik me af: Was het nodig? Kon hij niet gewoon tegen haar zeggen dat ze meer vanuit haar buik moest ademen, dat ze haar voorhoofd even moest ontspannen? Had zij Stroet dan niet nerveus horen roepen ‘Waar ga je me nú weer aanraken’? Of had ik dat alleen maar zo geïnterpreteerd, dat ze nerveus was? Was dit acteurshumor, een metagrap over MeToo?

De vriendin van het verhaal in De Gids zei: ‘Ik vond niet per se dat hij te ver ging toen hij zijn hand op haar buik legde, maar wel hoe hij haar aankeek, dat maakte het ranzig.’ De andere vriendin dacht net als de Leeuw: het hoort er ook wel een beetje bij als je acteur bent. ‘Nee’, zei ze, ‘ik denk niet dat woorden hetzelfde effect hebben als een aanraking.’ En: ‘Wat Judith erover zei, hij hielp haar wel verder.’

Waar we het over eens waren, is hoe belangrijk het is om dit gesprek te hebben en gaande te houden. Omdat je niks algemeens kunt zeggen over grensoverschrijdend gedrag. Omdat het hoogstpersoonlijk is tot wie je je aangetrokken voelt, wat je lief, geil, goor of eng vindt, wie je wel en niet vertrouwt en waarom, wanneer prettige spanning omslaat in dreiging, wanneer het opeens niet meer leuk is en wanneer je je schaamt of schuldig voelt. En omdat precies dat hoogstpersoonlijke maakt dat het zo eng is om erover te praten en zo moeilijk om er een zaak van te maken die in de rechtszaal overeind blijft.

Wat in dit verband misschien ook een rare uitdrukking is, een zaak die al dan niet overeind blijft. Zal ik ‘m eruit halen? Het is per slot van rekening wel mijn stuk.

Geen categorie

Een symbolische soort –

Afgelopen voorjaar zag ik Steven Spielbergs serie Why we hate, over het zaad van de haat in onze (dierlijke) genen. De regisseur legde een groep vooraanstaande primatologen, sociaal antropologen en ethologen de vraag voor in hoeverre agressie en haatdragendheid in onze natuur liggen. Wat me er meest van bijbleef, was de conclusie van de wetenschappers dat materiële ongelijkheid een belangrijke trigger is voor afgunst en agressie. In situaties waar iedereen genoeg heeft, zullen niet snel oorlogen ontstaan.

De specialisten verbinden nog een andere, voorzichtigere conclusie aan het onderzoek. Eigenlijk is het meer een suggestie. Ze stellen dat in elk geval onder mensapen in omgevingen waar materiële ongelijkheid heerst en agressie als overlevingsmechanisme dus noodzakelijk is, mogelijk eerder patriarchale samenlevingen ontstaan. Samenlevingen waarin mannelijke agressie algemeen geaccepteerd is.

Je zou willen dat aan dit soort onderzoek meer aandacht werd besteed, niet alleen in landelijke media, maar ook in het middelbaar onderwijs, bij vakken als biologie, geschiedenis, maatschappijleer en filosofie.

Een derde punt dat in de serie wordt gemaakt door Frans de Waal, is dat het mensdier een symbolische soort is. Hij bedoelt daarmee dat mensen geneigd zijn in categorieën te denken en om die categorieën allerlei betekenissen toe te dichten. Wanneer ze zichzelf eenmaal in de ene categorie hebben geplaatst, zullen ze iedereen die in een andere categorie valt automatisch als minder of slechter beoordelen. Een manier van denken die uiteraard de deuren wijd opent voor de rechtvaardiging van allerlei vormen van pestgedrag, van kleine verbale agressie en fysieke agressie tot meer systematische vormen van discriminatie en mishandeling, en in het ergste geval zelfs tot grootschalige uitroeiing.

De Waal en andere kenners die in de serie aan het woord komen benadrukken dat hokjesdenken en agressie de ene kant van de medaille zijn. Aan de andere kant is er wat ons als zoogdieren óók kenmerkt: ons sociale karakter, onze neiging om elkaar te helpen en samen te werken, om voor elkaar te zorgen, voor elkaar op te komen en ons te verzoenen nadat we gevochten hebben; ons invoelend vermogen en ons vermogen om onszelf in de ander te herkennen. Die eigenschappen kun je versterken, zeggen de wetenschappers, door er meer aandacht aan te geven. Door meer te focussen op onze gedeelde belangen in plaats van op onze onderlinge verschillen.

Op de dag dat Joe Biden zijn overwinningsspeech hield en er een zucht van verlichting door de ene helft van Amerika en de rest van de wereld trok, moest ik weer aan die woorden denken. Niet dat ik wonderen verwacht van Biden (ik ben niet vergeten dat hij kort geleden nog anti-busingcampagnes steunde en zich aan de zijde van Zuidelijke segregationisten schaarde), maar toch: wat een verademing om één dag niet die verdeeldheid zaaiende hate speech van Trump te hoeven horen. Wat een pleister op een wond die al veel te lang open was, waar al veel te lang elke dag weer zout in werd gestrooid. Wat maken woorden dan een groot verschil.

Geen categorie

Hein is een Republikein –

In Intimations, een essaybundel die ze schreef tijdens de eerste Coronagolf, merkt Zadie Smith op dat de dood in de VS al heel lang geen democraat meer is. Hoe groot de kans is dat je aan Corona overlijdt, hangt nauw samen met je geslacht, je huidskleur en je maatschappelijke status. Die factoren bepalen namelijk voor een groot deel waar je wordt geboren en waar je de rest van je leven zult wonen, en daardoor of je toegang hebt tot netwerken en publieke voorzieningen. Indirect, maar nu ook weer niet zo heel indirect, bepalen ze zelfs zelfs hoe groot de kans is dat je in de criminaliteit of de gevangenis zult belanden of door geweld om het leven zult komen, of je stemrecht je ontnomen mag worden en of je gedwongen mag worden om onbetaald werk te verrichten.

In antwoord op Trumps uitspraak dat Amerika in oorlog is met het virus, zegt Smith: ‘Voor sommige Amerikanen is het altijd oorlog’. Ik moest denken aan The embassy of Cambodia, waarin ze ditzelfde punt maakt, maar dan minder expliciet. Ze illustreert het, maakt het zichtbaar en invoelbaar. Via het verhaal van Fatou, een Ivoriaans meisje dat in een Londense ambassadewijk voor een Arabische familie werkt, laat ze zien dat de vruchten van de democratie niet voor iedereen even laag hangen.

Fatou is pienter, maar heeft geen diploma’s en geen kans op werk dat haar in staat zal stellen om die diploma’s te halen. Voor de toegang tot bibliotheken, sportcentra of het openbaar vervoer is ze afhankelijk van anderen: een vriend die aan de universiteit studeert, een gezin dat een stapel ongebruikte gastenpasjes voor het zwembad in een la heeft liggen. Als ze die contacten verliest, bijvoorbeeld omdat ze haar schoonmaakbaan bij dat gezin van die pasjes kwijtraakt of omdat haar vriend meer van haar wil dan zij van hem, komen haar privileges weer te vervallen. Ze moet voorzichtig zijn met wat ze zegt, met wat ze doet. Ze moet pakken wat ze pakken kan. Leven is er niet bij; daarvoor is ze te veel bezig met overleven.

De vrouw voor wie ze werkt, begrijpt dit heel goed. Zo goed, dat ze haar kinderen niet corrigeert als ze elkaar dumb as Fatou noemen. Zo goed, dat ze er niet voor terugschrikt om Fatou in het gezicht te slaan als ze iets doet wat haar niet bevalt, en haar haar paspoort af te nemen wanneer ze haar ontslaat omdat ze ‘haar plek’ niet zou kennen. Haar plek als als moderne slaaf, als inwisselbare voetveeg.

Zo sluit Fatou aan in een rij van vrouwen die als vluchteling naar Europa kwamen en die ook in Europa op een bepaalde manier altijd vluchtelingen blijven. Je kunt ze op straat zien staan in wijken waar rijken wonen, wachtend op de bus naar hun volgende tijdelijke onderkomen, hun schamele bezittingen in een paar oude plastic tassen gepropt. Bag ladies, die de schaduw van onze maatschappij met zich meezeulen als moderne Christusfiguren. Het is een ijzingwekkende spiegel die Smith je voorhoudt.

Tijdens het college waarvoor ik The Embassy of Cambodia las, leerde ik over de Amerikaanse praktijk van redlining, een stevig in het Amerikaanse huurstelsel verankerde vorm van discriminatie. Redlining (een regelrechte voortzetting van de Jim Crow Laws uit het eind van de negentiende eeuw) isoleert minderheden in kansarme gebieden en zorgt ervoor dat scholen, zorginstellingen, openbaar vervoersmaatschappijen, sportcentra en culturele instanties zich ongestraft kunnen terugtrekken uit die gebieden. Zo ontneemt de Amerikaanse wet de inwoners van dergelijke wijken en gemeentes letterlijk hun kansen om te overleven in de maatschappij. Richard Rothstein schreef er een hartverscheurend en misselijkmakend boek over: The Color of Law.

Sinds ik dat boek gelezen heb, voel ik me verplicht om meer te weten te komen over verborgen discriminatie. Niet alleen in de VS, maar ook in Nederland. Smith noemt Europese zorgstelsel als schoolvoorbeeld, omdat het collectieve belang hier hoger in het vaandel zou staan dan de persoonlijke belangen van individuele burgers. Dat is een denkfout die ik Amerikanen (of mensen die, zoals Smith, een tijd in Amerika hebben vertoefd) vaker hoor maken. Ze lijken zich er niet van bewust hoezeer de privatisering ook hier om zich heen heeft gegrepen en sociale ongelijkheid in de hand heeft gespeeld.

Bijna dagelijks vraag ik me af: wat gebeurt er hier wat ik niet zie; hoeveel tweederangs burgers telt dit kouwe kikkerland? Wie wordt het hier moeilijk gemaakt om naar een fatsoenlijke school te gaan, om fatsoenlijke zorg te genieten en aan fatsoenlijk werk te komen? Wie heeft er hier de grootste kans om gecriminaliseerd te worden en in de gevangenis te belanden, wie wordt er nu echt het hevigst getroffen door deze crisis, wie zit er op dit moment letterlijk en figuurlijk het meest vast?

Ik denk dan niet alleen aan onze gevangenen ( waarvan rond de 60 procent een migratieachtergrond heeft ), ik denk ook aan onze asielzoekers. Een week geleden las ik in het Dagblad van het Noorden dat AZC-bewoners uit Groningen, Drenthe en Friesland die besmet zijn met het Coronavirus binnenkort terecht kunnen in een ‘speciaal daarvoor ingericht ‘hotel”, omdat AZC’s op dit moment niet in staat zijn om grote aantallen asielzoekers te ‘isoleren’.

De aanhalingstekens om het woord ‘hotel’ bezorgden mij koude rillingen. Ik dacht: als ze daar net zo’n ‘hotel’ mee bedoelen als de AZC’s zelf, houd ik mijn hart vast. Daar zitten mensen immers al opeengepakt in krappe barakken met hun trauma’s en zeeën tijd. Je moet er toch niet aan denken dat je in zo’n barak in quarantaine moet, letterlijk opgesloten wordt in iets wat toch al veel van een gevangenis had. Dat je zeker weet dat genoeg afstand houden daar niet lukt en geen flauw idee hebt wie het allemaal al heeft. Dat je moet gaan zitten wachten tot jij het ook krijgt.

En wat bedoelen ze precies met dat ‘isoleren’? Betekent het eenzame opsluiting, of betekent het dat grote groepen zieke mensen bij elkaar gezet worden, waardoor ze elkaar mogelijk opnieuw en opnieuw gaan besmetten en zo eindeloos opgesloten moeten worden? Waarom weten we hier het fijne niet van? Is Hein hier stiekem net zo’n republikein aan het worden als in de VS?

In mijn woonkamer ligt het Book of Symbols al maandenlang opengeslagen op het lemma shipwreck. Het zinkende schip op de begeleidende afbeelding doet me niet alleen denken aan de bootvluchtelingen die, Corona of niet, blijven komen, maar ook aan de staat waarin onze democratieën verkeren. Hoe wij met de drenkelingen van onze maatschappij omgaan, zegt alles over hoe we ons politieke stelsel zien: als een failliete boedel, de moeite van het redden niet waard.

Onlangs herinnerde ik me dat de Vara in 2008 met de slogan Wees verschillig op de proppen kwam en dat ik toen ik de kreet voor het eerst hoorde luidkeels om een bakje riep. Inmiddels ben ik 41 en moet ik moet al huilen als ik mijn vriend vertederd naar een stronkje broccoli zie kijken. Ik zie om me heen dat er genoeg verschillige mensen zijn, mensen die willen dat er iets verandert en die best bereid zijn daar iets voor te doen, maar ik zie ook dat de meeste van hen geen idee hebben waar ze moeten beginnen.

Alleen maar heel hard ‘Nee’ roepen tegen de overheid lijkt me in elk geval geen constructieve oplossing. Je moet goed begrijpen waar je ‘ja’ tegen zegt als je ‘nee’ tegen de de democratie zegt, en in welk kamp je je dan schaart. Mij persoonlijk lijkt het niet perse een gezellig kamp. Ik ambieer geen anarchie, geen leiders met trumpistische allures, geen muren en gesloten grenzen, geen Nederland buiten de Europese Unie.

Ik denk juist dat het de hoogste tijd is dat we ervoor gaan zorgen dat onze democratie voor iedereen gaat werken. For the many in plaats van, zoals nu, for the privileged few die hun veiligheid ook in tijden van zwaar weer nog kunnen kopen. Dat we weer iets met onze politici te maken willen hebben, dat we ze weer ter verantwoording gaan roepen en van ze gaan eisen dat de staat weer vadertje, of nee, moedertje wordt. Dat het ons allemaal weer wat kan schelen.

Geen categorie

Vleesgeworden tegenwrijving –

Ik las een speech van Johannes Fretz getiteld Radicale zachtmoedigheid. Hij schreef dat hij er steeds vaker bewust voor kiest om zich niet te mengen in het circus van meningen en oordelen waarin onze digitale en fysieke omgevingen zijn veranderd. Om uit te leggen waarom, riep hij het beeld op van Tank Man, de man die in de nasleep van de bloedig onderdrukte studentenprotesten op het Tianmenplein in 1989 in zijn eentje een stoet tanks tegenhield. Fretz zei: ik ben niet altijd als deze man, maar ik zou wel vaker willen zijn als hij. Moedig. Zachtmoedig. Radicaal.

Geweldloos protest en burgerlijke ongehoorzaamheid hebben een lange geschiedenis. In de dertiende eeuw schreef Thomas van Aquino al over het recht van ‘burgers’ (hij doelde hiermee op een select groepje mannelijke volksvertegenwoordigers van stand) om een tiran die onwetmatig aan de macht gekomen was af te zetten. Ook Luther en Calvijn beschreven specifieke omstandigheden waarin burgers volgens hun het recht of zelfs de plicht hebben om zich te verzetten tegen de overheid. Het begrip burgerlijke ongehoorzaamheid zoals we dat nu gebruiken, als het recht om je – geweldloos – te verzetten tegen regeerders die niet in het belang van AL hun burgers handelen, werd gemunt door Henry David Thoreau.

Thoreau weigerde belasting te betalen aan de Amerikaanse staat uit onvrede met het beleid van James K. Polk, de elfde president van de Verenigde Staten, die de Mexicaans-Amerikaanse oorlog had uitgelokt door grote delen van Mexico te annexeren en een fervent tegenstander was van de afschaffing van de slavernij. Thoreau’s antwoord op Polk’s imperialistische houding staat te lezen in het essay Civil Disobedience uit 1849 (dat nog geen 25 pagina’s telt en bijna twee eeuwen nadat het geschreven werd nog steeds ontzettend leesbaar is).

De centrale vraag van het essay is wat een burger moet doen als hij het hartgrondig met zijn president oneens is. Het destijds heersende idee dat een door een meerderheid van het volk gekozen president door het gehele volk gedragen zou moeten worden, wilde er bij Thoreau niet in. Zijn omschrijving van gezond burgerschap zag er heel anders uit: volgens hem had een democratische staat niets aan burgers die blindelings achter hun regeerders of de grote kudde aanliepen en respectvol ‘hun bek hielden’, maar vroeg die juist om wakkere inwoners; om inwoners die voor zichzelf kunnen denken en zich uitspreken zodra ze wanbeleid bespeuren.

Op basis van dat principe nam Thoreau uitdrukkelijk afstand van de Mexicaans-Amerikaanse oorlog en het in zijn ogen verwerpelijke gebruik om gevluchte slaven terug te brengen naar hun meesters, en meer in het algemeen van de onredelijke, agressieve houding van zijn regering. Om zijn protest kracht bij te zetten, stopte hij met het betalen van zijn belastingen en aanvaardde de gevangenisstraf waar hem dat op kwam te staan met de woorden ‘Onder een regering die mensen onterecht gevangen zet, is er maar één plek voor een rechtvaardig man: in de cel.’

Hij benadrukte dat elk apparaat wrijving kent, maar dat je, als het onrecht al te groot wordt, kunt stellen dat het apparaat defect is. Op dat moment moet je zelf de vleesgeworden tegenwrijving worden die het apparaat tot stilstand brengt. En dat kon volgens Thoreau op allerlei manieren, niet alleen door te weigeren belasting te betalen. Zolang het maar geweldloos was.

De vleesgeworden tegenwrijving. Dat is wel heel letterlijk wat die man op het Plein van de Hemelse Vrede werd toen hij een tank de weg versperde: een klein, kwetsbaar lichaam dat een grote machine tot stilstand brengt. Zoals Fretz schreef, was dat in dit geval mogelijk omdat er in die machine ook een man met een klein, kwetsbaar lichaam zat, die bedankte voor zo’n oneerlijk gevecht. Ook daar was moed voor nodig, en vooral ook: een besef van gedeelde menselijkheid, van gedeelde gevoelens, waarden en behoeften.

Menselijkheid roept medemenselijkheid op. We kunnen daar meer van gebruiken, en daarom is het belangrijk dat we ophouden alleen in onze hoofden te wonen, bij onze meningen en oordelen, en ook nieuwsgierig worden naar hoe de vlag er op de onderliggende verdiepingen voor hangt. In ons lichaam, in ons hart.

Geen categorie

De eeuw van het escapisme –

In april van dit jaar vonden complottheorieën over 5G en Corona elkaar en deden het, met brandende zendmasten tot gevolg. Toen ik de berichten over de oproer las, moest ik denken aan een interview uit 2014, waarin Alan Moore waarschuwde voor het gevaar van superheldenfilms. De Watchmen-auteur zei onder andere dat de fascinatie met superhelden onder groeiende aantallen volwassenen hem voorkwam als een escapisme, een kolossaal ‘nee’ tegen de overweldigende complexiteit van het moderne leven.

Hij noemde dat escapisme in cultureel opzicht catastrofaal, omdat superhelden culturele spoken uit een vorige eeuw zijn die niets in de onze te zoeken hebben – als er één eeuw nood heeft aan een stevige culturele identiteit, dan is het de onze wel, aldus Moore. De groeiende hang naar verdwijnen en ontsnappen leek hem te bewijzen dat ‘een aanzienlijk deel van het publiek het heeft opgegeven de realiteit waarin het leeft te willen begrijpen’, en het broodnodige houvast vindt in ‘de […] betekenisloze, maar ten minste nog enigszins begrensde ‘universa’ van DC of Marvel Comics’.

Een andere theorie uit diezelfde periode, ik ben vergeten wie erover schreef, luidde dat Marvelfilms en Hollywoodscenario’s mensen apathisch zouden maken. Als we gaan geloven dat dit is hoe de realiteit werkt, zitten we straks als de pleuris uitbreekt allemaal te wachten tot er een superheld uit de lucht komt vallen die de slechteriken uitschakelt en de boel vlot trekt, was de strekking. Als onze geliefde ons verlaat, geloven we dat ze zich zal bedenken en ons achterna zal rennen het station in, het vliegveld op. Als er iemand overlijdt, denken we dat we in no time zijn engel aan ons zal verschijnen, die ons met zachte hand door het rouwproces zal leiden. De werkelijkheid is vele malen rafeliger, troebeler en chaotischer, en pas als we dat kunnen accepteren zullen we ons als verantwoordelijke individuen en groepen gaan gedragen.

Hoewel fake news en complottheorieën drijven op eenzelfde soort kinderlijke vereenvoudiging van de werkelijkheid als die waar Moore voor waarschuwde, lijkt het er bepaald niet op dat deze vormen van representatie mensen apathisch maken. Eerder lijkt de polariserende werking die er vanuit gaat het vuur van de menselijke agressie te doen oplaaien, met als bizar gevolg dat ze zich de hoofdrolspeler in hun eigen superheldenfilm wanen en volledig overtuigd van hun eigen gelijk de aanval openen op vermeende schurken of monsters. De brandende zendmasten in Engeland en Nederland zijn nog relatief onschuldige uitkomsten van het culturele en politieke escapisme dat de 21ste eeuw kenmerkt. We hebben al gezien hoe verkiezingsuitslagen gemanipuleerd kunnen worden via social media. Het wachten is op de eerste (burger)oorlog veroorzaakt door deepfaketechnologieën.

Ik snap ze wel, die mensen die het leven op deze planeet niet goed aankunnen. In mijn twintiger jaren werd ik elke ochtend wakker met de gedachte: O nee. Het gat in de ozonlaag. De plasticsoep in de oceaan. De smeltende poolkappen. Irak. Afghanistan. Rwanda. Ik had moeite met de manier waarop mobiele telefoons afstand en internet me zowel hielpen om de afstand tussen mij en mijn vrienden te slechten als dat ze die afstand vergrootten en ons vereenzaamden in onze veilige individualistische bubbels.

Ik worstelde met het tempo en de prestatiedruk van het moderne leven. Ik hongerde naar liefde en vond steeds weer seks; ik vergeleek me constant en op duizend vlakken met anderen en voelde me daar ellendig onder. Ik wilde me graag verbinden aan iets groters, aan een nobele zaak, maar voelde me slap en richtingloos omdat alles corrupt en besmet leek. Ik zocht naar een manier om dit alles uit te drukken in mijn poëzie, maar was nooit tevreden over het resultaat.

In 2001 las ik King, een toneelstuk van Michel Vinaver. Het ging over King Camp Gillette, de bedenker van één van de eerste wegwerpproducten ooit: het Gillette scheermes. Gillette zag al tijdens zijn leven in dat geld, concurrentie en wegwerpproducten het einde van de mensheid en de planeet konden betekenen. In een poging de wereld te waarschuwen voor haar naderende ondergang, schreef hij in het laatste decennium van de negentiende eeuw een aantal utopische pamfletten waarin hij pleitte voor de afschaffing van het kapitalisme en de installatie van een utopische staat naar communistisch model.

In de toneelaanwijzingen van Vinaver staat te lezen dat het stuk maar één personage bevat, namelijk King, maar dat dat personage door drie mannen gespeeld wordt, die steeds gelijktijdig op het podium aanwezig zijn: de Jonge King, de oude King en een King van middelbare leeftijd. Soms houdt één van de drie een monoloog, soms zingen ze in koor een tekstfragment uit een van Gillette’s pamfletten, dan weer vinden er dialogen plaats tussen twee Kings van verschillende leeftijden of speelt één van hun King en de ander zijn vrouw, zijn zoon, een klant of een zakenrelatie. Ook schakelen de drie Kings voortdurend tussen verschillende taalregisters.

Ik verslond toneelteksten in die tijd, maar had nog nooit gezien dat een toneelschrijver de begrippen tijd, ruimte en personage zo radicaal opblies. De fragmentarische structuur van het stuk deed me denken aan Memento, de doorbraakfilm van Christopher Nolan die ik het jaar ervoor had gezien, en ik bespeurde er nog iets in dat me als relatief nieuw voorkwam en waar ik me sterk in herkende: een eigenaardige mengeling van ironische afstand en politieke betrokkenheid. Ik vroeg me af of er meer kunstenaars waren die zich op deze manier verhielden tot de wereld van nu, en ontdekte een hele horde schrijvers, filmmakers, collagekunstenaars, architecten, popmuzikanten en acteurs die eenzelfde quirky variant van het aloude engagement beoefenden. Van David Foster Wallace tot Charlie Kaufman en Childish Gambino, van Miranda July tot Zadie Smith en Weyes Blood.

Er was alleen nog geen naam voor dit oddballvolkje. Die kwam er pas in 2010, toen Timoteus Vermeulen en Robin van den Akker Notes on Metamodernism schreven, een artikel (of eigenlijk een serie artikelen, verzameld op een blog), waarin ze deze generatie makers definiëerden als ‘metamodern’. Wat ze daarmee bedoelden, bleek tamelijk complex: niet modern en niet postmodern, maar beyond die beide paradigma’s; verwikkeld in een kritisch gesprek ermee èn terend op de erfenis ervan. Constructief en deconstructief, oprecht en ironisch, sceptisch maar hoopvol, belezen doch moedwillig naïef, zich herpositionerend ten opzichte van stellingnames uit het verleden.

In de praktijk komt dat neer op verschillende dingen. Ten eerste: de terugkeer van de politieke kunst. Ten tweede: de erkenning van het feit dat eindeloos relativisme kan leiden tot nihilisme en onverschilligheid, in het ergste geval zelfs tot wreedheid en haat. Ten derde: de introductie van het tegenovergestelde van eindeloos relativisme, te weten identiteitspolitiek en de woke-beweging. Ten vierde: het verlaten van realistische scenario’s ten gunste van mogelijke scenario’s, waarin utopische en dystopische elementen worden vermengd met de realiteit zoals we die kennen.

Als je naar een toneelstuk van Vinaver kijkt, kun je soms even in verwarring verkeren: waar zijn we nu en wanneer, wie zegt dit, doet het ertoe wie het zegt? Toch is het altijd volstrekt helder of je je in de werkelijkheid bevindt of in iemands gedroomde of gevreesde versie van die werkelijkheid. In veel films en tv-series van nu is dat onderscheid verdwenen. Alsof het onderbewuste zich een weg naar boven heeft gewurmd en als een equivalent van fake news en complottheorieën met onze blik verkleefd is geraakt. Ik denk aan Sex Education en Anne with an E, series die sociaal en historisch realisme in één gebaar terzijde schuiven door een tijdloze, inclusieve wereld te tonen, waarin ouders hun kinderen door dik en dun steunen, klassenverschillen zo goed als nonexistent zijn en vrouwen, mensen van kleur, homo’s en trangsgenders meedoen alsof het nooit anders geweest is. Ik denk ook aan die ene scène uit Call me by your name, waarin een vader zijn zoon uitlegt dat hij hem een soort vrijheid wil geven dat hij zelf tot zijn spijt nooit heeft gekend.

Als de wereld zoals hij zou kunnen zijn wordt getoond, moet ik vaak huilen omdat ik overvallen word door gedachten als: dit is wat je wil, dit is zoals het zou moeten zijn, en: verdomme, waarom gaat het meestal niet zo. Ik kan denken: dit escapisme is educatief bedoeld en misschien werkt het ook zo, ik hoop het. Misschien moeten mensen wel eerst stortladingen van dit soort beelden zien voor ze zich ernaar gaan gedragen. Misschien is een beetje geschiedsvervalsing voor het goede doel wel geoorloofd. Als politici en marketeers het doen, waarom zouden kunstenaars het dan laten?

Tegelijkertijd heb ik er ernstige twijfels bij. Want stel dat ik veertien was, nog nooit had opgelet tijdens de geschiedenisles en deze beelden zag. Zou het kunnen dat ik dan ging denken dat in de negentiende eeuw gemengde huwelijken geen halszaak waren, zou ik er dan van overtuigd raken dat je in de jaren tachtig als jonge jongen rustig aan je vader kon vertellen dat je verliefd was op een oudere man? Hoe moeten we leren van het verleden als we onze fouten eruit wegpoetsen? Was de functie van kunst niet juist om ons wakker te schudden uit onze geautomatiseerde waarneming? Proberen deze makers dat nog wel serieus, of hebben ze het escapisme verheven tot een kunst om de kunst? Wanneer houden we op met dromen en filosoferen over een nieuwe wereld, met doen alsof die wereld er al is; wanneer gaan we slopen wat gesloopt moet worden, bouwen wat gebouwd moet worden, wanneer gaan we maken, wanneer gaan we doen?

Geen categorie

Onze woorden, onze wereld –

‘Als ik op mijn 12de voor het Kandinsky College had gekozen, had ik mogelijk bij [Sinan Çankaya] in de klas gezeten en geschiedenisles gehad van [voorheen de tweede man van de extreemrechtse Centrumpartij].’

Sterk stuk van Willem Claassen naar aanleiding van het boek Mijn ontelbare identiteiten van Sinan Çankaya. Nog geheel afgezien van het feit dat de woorden ‘het zal nooit maar dan ook nooit iets met jou worden’ van gering pedagogisch talent getuigen, kun je je ook afvragen hoe gekleurd (of eerder ontkleurd) een geschiedenisles van deze Nico van Konst er op inhoudelijk vlak had uitgezien.

Drie jaar geleden begon ik aan de opleiding tot docent Frans in het middelbaar onderwijs. Een van de eerste dingen die me daar verteld werden, was dat een goede leraar haar politieke voorkeuren vóór de drempel van het klaslokaal achterlaat. Ook als leerlingen proberen je ertoe te verleiden je uit te spreken over de actualiteit, zou het beter zijn om je neutraal op te stellen. De redenering hierachter luidde als volgt: pubers zijn beïnvloedbaar en leraren hebben een voorbeeldfunctie; het is belangrijk dat ze hun leerlingen leren om zelf te ontdekken wat ze vinden. Daar kun je ze wel bij stimuleren, maar je mag ze er niet in stúren.

Ik bracht daar aarzelend tegenin dat politiek ook over zaken van het hart gaat en dat ik niet anders kan dan alles wat ik doe met hart en ziel doen. Ik zei dat ik, als ik me neutraal moest opstellen in politieke kwesties, ook een deel van mijn menselijkheid voor die drempel moest achterlaten omdat mensen nu eenmaal niet neutraal zíjn.

En ik legde uit dat het me juist vanuit een voorbeeldfunctie zoals die van docent belangrijk leek om bijvoorbeeld racistische of seksistische ideeën te bevragen, omdat andere mensen uit de analoge en digitale omgeving van mijn leerlingen dat misschien níet deden. ‘Niet door te zeggen ‘dit is fout en ik zal jullie vertellen wat goed is’, maar door bijvoorbeeld aan de hand van een (Franstalig) artikel of videofragment te laten zien dat racisme economische motieven heeft, of door een keer iemand in de klas uit te nodigen die (in het Frans) komt vertellen hoe racisme zijn leven heeft beïnvloed.’

‘Het kán, maar je begeeft je in een hellend vlak’, werd me verteld. ‘En reken vooral niet op steun of waardering van ouders, collega’s of de schoolleiding.’ Aha, dacht ik. Dus dáár gaat het om. Om conflictvermijding en conformisme.

Sinan Çankaya zegt: ‘Jullie woorden doen ertoe. Jullie scheppen een wereld en die kan veilig en onveilig zijn.’ Dat gaat wat mij betreft niet alleen op voor leraren, maar voor iedereen. Daarnaast geldt dat je, als je zwijgt over dingen waarover juist nodig gesproken moet worden, daar óók iets mee zegt. Je mond houden over brandende kwesties schept onveiligheid, en biedt ruimte aan geweld.