Geen categorie

Maak elkaar niet dood, oké? –

‘Ik probeer non-agressief te zijn. In sommige situaties ben ik ongetwijfeld agressief, maar ik probeer non-agressief te zijn. Ik denk dat er iets essentieel en diep non-agressiefs aan vrouwen is.

Als je om je heen kijkt en ziet wie de wapens oppakt, dan moet je constateren je dat dat meestal geen vrouwen zijn […] In mijn eigen ervaring en mijn eigen leven hebben vrouwen de neiging om de vredestichters te zijn. Degenen die zeggen: ‘Jongens, broeders, maak elkaar niet dood, oké? Gewoon niet doen!’ Degenen die op het meest basale niveau, op het famieliniveau, de dingen bij elkaar moeten houden.

Ik denk dat je vrouwen kunt zien als mensen die kundig zijn in het bewaren van de vrede, niet alleen binnen het kader van het familiale model. Heel, heel kundig in het doorgronden van netwerken en van hoe dingen werken. In het zien van dingen, niet als een plot met een grote verhaallijn of een dramatische narratieve boog, maar als een stof waarin alles met elkaar verweven en verbonden is, en waarin je niets kunt doen zonder dat het invloed heeft op iets anders.’ –

Deze woorden van Laurie Anderson, uit een van de vele interviews in de documentaire Feminists, what were they thinking?, raakten mij als waar. Er gaat een soort vrouwelijke wijsheid vanuit die ik mis in veel postfeministische gendertheorie, waarin de biologische en psychologische verschillen tussen mannen en vrouwen worden weggeredeneerd aan de hand van onderzoeken die focussen op het culturele aspect.

Mannelijkheid en vrouwelijkheid zouden voor meer dan negentig procent aangeleerd zijn, cultureel en maatschappelijk bepaald eerder dan geworteld in de respectievelijke aard of natuur van mannen, vrouwen en alles wat buiten die beperkende hokjes valt. Dit argument wordt naar hartelust gebruikt in pleidooien ten faveure van inkomensgelijkheid en gelijke quota, èn om debatten over gendergelijkheid en seksuele geaardheid te beslechten.

Toen ik twaalf was en de eerste uiterlijke kenmerken van vrouwelijkheid zich op mijn lichaam begonnen af te tekenen, moest ik daar weinig van weten. Ik had altijd veel met jongens gespeeld en mijn helden waren voor het overgrote merendeel jongens en mannen. Niet zozeer omdat ik vijandig tegenover meisjes stond, maar omdat de rol die meisjes in de boeken die ik las en de films die ik keek me niet aanstond. Die meisjes beleefden minder avonturen en deden minder spannende dingen dan de jongens die ze omringden. Op enkele uitzonderingen na vond ik ze truttig, bangig en vooral ook weinig expressief. De Pippi Langkousen van de wereld leken in de minderheid, en met hun associeerde ik me beduidend liever dan met de Annika’s.

Wat ook meespeelde in mijn moeizame relatie tot mijn vrouwelijkheid, was dat het eerste vrouwelijke voorbeeld dat ik in mijn leven had gehad, mijn moeder, niet heel tevreden leek met haar rol. Ze klaagde vaak dat mijn vader niet genoeg meehielp in het huishouden en in de keuken, maar als hij dan eens een poging deed om te koken, te stofzuigen of de was op te vouwen, was ze ongeduldig met hem of deed bits en snauwerig: hij deed het niet goed, hij deed het te langzaam, hij snapte er niks van.

Als we aan haar vroegen waarom ze niet weer ging solliciteren, zei ze dat ze daar te oud voor was, dat haar afstand tot de arbeidsmarkt na al die tijd te groot was geworden, of dat wij geen idee hadden wat er allemaal in het water zou vallen als zij het er niet meer voor ons uit viste.

Ik zeg vaak tegen mijn moeder dat ze haar eigen emancipatie gefnuikt heeft, en als ze in een milde bui is, geeft ze toe dat dat in elk geval ten dele waar is. Aan de andere kant onderstreept ze ook vaak dat er niks mis is met het beroep van huisvrouw, en dat ze de tijd die ze in huis heeft doorgebracht voor geen goud had willen missen, ook omdat ze zo volop kon genieten van haar opgroeiende kinderen. Dat snap ik allemaal heel goed, maar ik kan ook denken: je bent zo slim en sociaal vaardig, er had zoveel meer in gezeten, je had midden in het leven kunnen staan, je had niet zo eenzaam hoeven zijn.

Ik kan denken: als het zo’n mooi beroep was, waarom werd je er dan niet voor betaald alsof het een mooi beroep was? Of: je had je zelfs binnen die rol van huisvrouw meer vrijheden kunnen permitteren als je niet zo bezig was geweest met anderen. Dan was je niet gestopt met autorijden omdat je zo bang was om een ongeluk te veroorzaken. Dan had je je minder aangetrokken van wat de roddeltantes uit de straat over je dachten, en had je vrouwen opgezocht die je als hun gelijke beschouwden en vice versa. Je had je tijd en aandacht over meer mensen kunnen verdelen, zodat je hem niet allemaal op ons had hoeven richten. Dan hadden wij ons vrijer en onafhankelijker gevoeld, meer aan het roer van ons eigen bestaan.

Mijn moeder was de jongste uit een gezin van negen kinderen, waarvan er twee voor hun vijftiende overleden. Omdat mijn opa Jan drogist was, had hij geen geld om alle zeven overgebleven kinderen naar de universiteit te sturen. Zodoende leek het hem logisch dat alleen zijn drie zoons erheen zouden gaan. De oudste wilde liever priester worden, wat alweer een slok op een borrel scheelde. De dochters werden de zachtjes richting de verzorgende beroepen gemasseerd, de verpleging en het onderwijs in.

Het was mijn opa opgevallen dat mijn moeder goed kon tekenen. Daarom stuurde hij haar nadat ze de MMS had afgerond naar Tilburg, om de opleiding tot docent Tekenen en Kunstgeschiedenis te volgen. Zelf had hij ooit een kunstenaarsdroom moeten inslikken omdat er na het overlijden van zijn vader en twee zussen in het februaribombardement op Nijmegen behalve hijzelf niemand meer over was die de familiedrogisterij kon overnemen. Misschien probeerde mijn opa via mijn moeder zijn droom alsnog waar te maken, ik weet het niet.

Wat ik wel weet, is dat mijn moeder als ze had kunnen kiezen iets heel anders met haar leven had gedaan. Soms begon ze daar uit zichzelf over: dan zei ze dat ze zich onder de kunstenaars en de docenten van de creatieve vakken nooit thuis had gevoeld, maar dat een leven als kweker, hovenier of meubelmaker haar wel wat had geleken. Iets met haar handen. Ik heb nooit precies kunnen achterhalen waarom ze nooit begon over een universitaire studie. Ik dacht dat ze misschien twijfelde aan haar intellectuele vermogens, maar misschien voelde ze gewoon wel meer voor een fysieker beroep.

Toen ze zwanger werd van mij, stopte mijn moeder met werken. Pas in mijn eindexamenjaar maakte ik haar voor het eerst mee in de rol van kostwinner: ze ging schoonmaakwerk doen in de thuiszorg. Ik genoot van haar verhalen over de interieurs, de gekkigheden en de bewogen levens van de mensen voor wie ze werkte. Ik kon opeens beter zien wat haar sterke kanten waren: haar zorgende kant, haar sociale en emotionele intelligentie, haar netheid, haar precisie. Ik realiseerde me dat ik die eigenschappen ook bezat, en voelde me daarin met haar verbonden.

Aangezien mijn moeder het overgrote deel van haar toch al magere inkomsten uit het thuiszorgwerk weer moest inleveren bij de Belastingdienst, en waarschijnlijk ook omdat het werk haar onvoldoende intellectuele uitdaging bood en haar niet toestond zich uit te drukken zoals ze zich graag uitdrukte, was haar carrière als schoonmaakster geen lang leven beschoren. Ze keerde weer terug naar het huishouden, de tuin en de keuken, onderwees zichzelf net als voorheen door veel te lezen en bleef zich via vooral telefonisch contact veel om mij en mijn broer bekommeren.

Ik had nog steeds niet het idee dat ze voor zichzelf leefde, of zich er zelfs maar iets bij kon voorstellen dat eruit zag, voor jezelf leven. En in mijn volwassen leven ontdekte ik beetje bij beetje hoezeer ik ook hierin op haar leek: ik was altijd meer met anderen bezig dan met mezelf. Ik was de helper, de verpleegster en het moedertje in veel van mijn relaties, en ik realiseerde me dat dat zowel iets was wat ik van mijn eigen moeder had afgekeken als iets wat in mijn aard lag. Ik begon op een andere manier naar mijn vriendinnen te kijken, en van alles te zien wat me eerder niet was opgevallen.

Ik zag dat vrouwen meer dan mannen naar de psycholoog gaan, omdat ze meer geneigd zijn het bij zichzelf te zoeken dan in de wereld. Ik snapte ook waarom dat was: omdat de wereld voor hun minder toegankelijk was dan voor hun vaders, hun broers, hun vrienden en hun vriendjes.

Ik ontdekte dat mijn interesse in psychologie, intermenselijke relaties en sociale verhoudingen iets was wat ik met veel van mijn vriendinnen deelde. Ook dit kon ik verklaren vanuit het feit dat vrouwen minder toegang hebben tot de maatschappij: vanuit die positie leek het me logisch, of nee, noodzakelijk, om sociale codes te willen kennen, doorgronden en kraken.

Maar ik had er ook andere gedachten over, gedachten die meer betrekking hadden op ons lichaam. Op hoe onze sekse bepaalt hoe wij denken en voelen. Gedachten, die als vloeken in de feministische kerk klonken.

Ik dacht: wij weten dat we zo goed als elk fysiek gevecht tegen iemand van de andere sekse verliezen. Als wij seks hebben met iemand van de andere sekse, geven we terrein prijs en ontvangen we de ander terwijl de ander terrein inneemt, in het slechtste geval iets van ons afneemt. Wij dragen geen potentieel wapen van vlees en bloed op ons lichaam. Wij dragen baby’s IN ons lichaam en voeden ze MET ons lichaam. Als we veertig worden en nog geen kinderen hebben, begint er een tijdbom in ons lijf te tikken die we met geen geweld kunnen negeren. Als we in de overgang komen, huilt datzelfde lijf om het verlies van een kracht die jarenlang een deel van haar wezen heeft uitgemaakt (ik bedoel niet dat je die kracht niet kwijt kunt in andere vormen van expressie, of dat een onvruchtbare vrouw geen volwaardige vrouw is).

Ons voelen en denken is cyclischer, meer op de lange termijn en de toekomst gericht. Er is niemand die mij kan vertellen dat dit alles niet meebepaalt wie en wat wij zijn. Ik weet dat het zo is. Ik VOEL het. En ik voel me ook niet langer geneigd me vijandig te verhouden tot dat deel van mijzelf, alleen omdat de maatschappij de waarde van deze vermogens niet waardeert zoals ze mannelijke potentie vereert.

Dergelijke gedachten hoor ik terug in de woorden van Laurie Anderson. Zij veracht haar biologie niet. Ze ziet er de kracht en de schoonheid van, en viert ze. In de documentaire komen meer tweede-, derde- en vierde generatie-feministen aan het woord die in deze termen over zichzelf denken en spreken. Ik ervoer een sterk gevoel van zusterschap terwijl ik naar hun bespiegelingen luisterde, en de veelvormigheid van hun gezichten, hun lichamen en hun stijlen bewonderde. Ik ontdekte er zoveel zachtheid in, zoveel nuance.

Ik dacht: Dit zijn de argumenten die je moet gebruiken als je de soorten en de landschappen van onze planeet wilt redden. Als je wilt dat er naast elke man in de politiek of het bedrijfsleven een vrouw of andersidentificerend mens komt te zitten, keeping his balls in check. Dit is waar de wereld hier en nu meer van kan gebruiken. Wat triest, dat we zo ver van dit deel van onze natuur verwijderd zijn geraakt.

Geen categorie

‘ Just ‘ do it –


Toen tijdens de tweede speelronde van de eredivisie bleek dat voetbalsupporters zich lang niet altijd en overal aan de coronaregels hielden, werd Mark Rutte zo boos dat hij zich in een interview een aantal onpremierlijke woorden liet ontvallen. Hij zei: ‘Gewoon je bek houden als je [ in het stadion ] zit, naar de wedstrijd kijken en niet schreeuwen. Dat is te doen.’ Vervolgens lichtte hij zijn uitspraken toe door uit te leggen dat het dom is om je niet aan de regels te houden, omdat het aantal besmettingen weer oploopt en het virus niet onder controle te krijgen is als een deel van de bevolking de voorschriften aan zijn laars lapt.

De frase ‘Gewoon je bek houden als je naar de wedstrijd zit te kijken’ deed mij denken aan een reeks reclames van Nike die me al jaren niet lekker zit, en in het bijzonder aan die ene slogan: Nike. Just do it. Omdat ik weet dat mijn irritatie me niet zozeer iets vertelt over wat er mis is met de wereld maar over een behoefte van mij waarin die wereld niet voorziet, heb ik een keer opgeschreven wat ik precies zo storend vond aan die slogan. Dat kwam ongeveer hierop neer:

Nikè is de naam van een oudgriekse godin, en als je de beelden ziet waarmee Nike zijn sportkledij aanprijst, zie je ook godinnen, of beter gezegd: beelden van hoe wij, kinderen van de twintigste en de eenentwintigste eeuw, ons godinnen voorstellen. Jonge, mooie, afgetrainde vrouwen; vrouwen die hun lichaam een extreme, welhaast militaire discipline weten op te leggen. Als je zulke beelden vergezelt van de tekst ‘gewoon (even) doen’, zeg je tegen iedereen die het moeilijk vindt om in beweging te komen of om discipline op te brengen dat dat aan haar ligt omdat ‘het’ een makkie is.

Wat precies? Ja, dat kun je je afvragen. Bewegen? Trainen als een militair? Eruit zien als een godin? Als het erom ging zoveel mogelijk mensen in beweging te krijgen, hadden die reclames misschien wat minder in hoeven spelen op de schuld- en schaamtegevoelens omtrent het lichaam en lichamelijke oefening, die potentiële kopers ook zonder slogans als deze al hebben.

Ze hadden een wat diverser, genuanceerder mensbeeld kunnen tonen. Een paar ouderen, een paar jongeren; mensen van verschillende lichaamstypes en met verschillende stijlen. Mensen aan wiens uiterlijk en wiens manier van bewegen je kunt aflezen dat niks wat ze met succes doen ze ‘gewoon’ lukt, of ‘even’. Niet omdat ze sukkels zijn, maar omdat ze mensen zijn. Rare, troebele, complexe, onvoorspelbare wezens, die eigenlijk niet gemaakt zijn om te multitasken, maar in de praktijk toch weinig anders doen – en die daardoor vaker niet dan wel uitblinken in één specifieke activiteit.

Het verhaal dat die Nikereclames vertellen wordt niet alleen gepresenteerd als iets kinderlijk eenvoudigs, maar ook als de waarheid, de enige juiste versie van de werkelijkheid. Je moet het gewoon doen en daarmee uit. Het product is de oplossing voor al je problemen en klaar. In dat verhaal is nul ruimte voor het afwijkende en het aarzelende, het vallende en het opstaande, maar ook niet voor het speelse en het vloeiende. Het gaat voorbij aan de weerstand en de obstakels die mensen moeten overwinnen om ergens te geraken, en aan hun verlangen naar creativiteit. Het reduceert ze tot machines en hun levenspad tot een efficiënte, kaarsrechte lijn van A naar B.

Als ik met zo’n simplistische voorstelling van de werkelijkheid geconfronteerd word, word ik chagrijnig. Precies zo chagrijning als wanneer ik merk dat me een filmplot door de strot wordt geduwd dat ik al tig keer eerder heb gezien. Dan denk ik: hou op met mij vertellen wat ik moet doen en hoe ik het moet doen, en: als het jou toch niet interesseert wat ik nodig heb, maak ik zelf wel uit wat goed voor me is!

Helaas was dat precies de reactie van een aanzienlijke groep influencers op de boodschap van Mark Rutte. Niet lang nadat hij gesproken had, verschenen op social media tientallen videoboodschappen van bekende Nederlanders die hun fanbase vertelden wat zij met Rutte’s booschap deden: er hun spreekwoordelijke kont mee afvegen. Hun oproep was er één tot burgerlijke ongehoorzaamheid, gemotiveerd door een diep wantrouwen jegens de regering: ‘Alleen samen krijgen we de overheid onder controle. Ik doe niet meer mee. Free the people.’

Wat zou er gebeurd zijn als Rutte niet de harde, oordelende woorden ‘bek’ en ‘dom’ in de mond had genomen, waarmee hij zich hoog boven de supporters had verheven en ze iets van hun menselijkheid en hun maatschappelijke gewicht had ontnomen? Wat als hij niet als God de Vader of een schoolmeester had gesuggereerd dat wat hij ze vroeg ‘gewoon’ en ‘te doen’ is? Wat als hij iets had had gezegd in de trant van:

‘Beste supporters, ik weet dat voetbal mensen bij elkaar brengt en dat dat belangrijk voor ze is; daarom willen we ook graag dat voetbalwedstrijden door kunnen gaan. Ik snap dat het ontzettend ingewikkeld is om je in te houden als je enthousiast wordt; je wilt je club aanmoedigen, je wilt je overwinningen en je verliezen vieren. Maar de enige manier waarop voetbalwedstrijden kunnen blijven doorgaan, is als jullie je aan de Coronamaatregelen houden. Gebeurt dat niet, dan is elke voetbalwedstrijd namelijk een potentiële explosie van besmettingen. Dus kunnen jullie dat in je eigen belang en dat van je medeburgers alsjeblieft proberen? Want anders moeten de stadia straks dicht.’

Niet dat dat de aanhang van Willem II ervan had weerhouden om de avond voor de wedstrijd tegen de Glasgow Rangers massaal de regels te overtreden op het Stappegoorplein. Het gaat me er meer om dat de taal waarin Rutte het Nederlandse volk toespreekt agressief is, en dat wie agressieve taal bezigt, agressieve taal kan terugverwachten, en ook niet perse op enthousiaste medewerking hoeft te rekenen. Eerder op weerstand en verzet.

De Vindicatstudenten in het huis naast mij houden zich ook niet aan de regels. Dat is op zich niks nieuws; ik heb al jaren stank- en geluidsoverlast van ze. Maar sinds de coronacrisis merk ik wel dat ze geen kant op kunnen met hun jeugdige enthousiasme en hun luidruchtige rituelen, en word ik eraan herinnerd hoe asociaal en onverschrokken ik zelf was toen ik hun leeftijd had. Als je niet vreest voor je eigen leven, kun je je er weinig bij voorstellen dat een ander erover in de piepzak zit. Als je de verantwoordelijkheid voor je eigen gezondheid niet eens aankunt, zul je je ook niet snel verantwoordelijk voelen voor die van een ander.

De meeste voetbalsupporters zijn natuurlijk lang geen achttien meer, maar ze zullen zich de frustratie van de studenten ongetwijfeld goed kunnen voorstellen, die nu al maanden niet kunnen en mogen doen wat in hun beleving een deel van hun identiteit uitmaakt: de stad onveilig maken.

Arjen Lubach deed vandaag in zijn zondagshow wat schamperend over een Graafschap-aanhanger die bij Spraakmakers zei dat veel van het gedrag in stadia een passioneel en dus automatisch karakter heeft. Zo van: ‘Hè sorry, maar wat zeg je nu precies: dat het je overkwám? Dat je er niet zelf bij was en bij had kunnen blijven, je weet wel, met je hóófd?’ Als ik dat soort commentaren hoor, denk ik vaak: ja, in principe kan dat, maar in de praktijk gebeurt het niet. Dat weet ik, omdat ik me als zestienjarige ook wel eens in een menigte uitzinnige Graafschapsupporters heb bevonden. Wat daar gebeurde, had weinig met het hoofd van doen, en trouwens ook niet veel met voetbal. Het was één en al emotie.

Terwijl ik me staande probeerde te houden tussen de hossende Superboeren, werd mij iets duidelijk (ik kon het destijds niet onder woorden brengen, ik begreep het meer op een gevoelsmatig niveau). Namelijk dat schwalbes, penalty’s en rode kaarten niet de oorzaak van die emotie waren, maar slechts de aanleiding, en de wedstrijd de uitlaatklep, het massaritueel dat elk van deze individuen toestond om zijn opgehoopte emotionele pijn te ontladen in een orgie van kabaal en verbaal en fysiek geweld. Ik dacht: blijkbaar weten deze mensen niet hoe ze dat anders moeten doen. Blijkbaar zijn ze heel erg gefrustreerd.

Als je op de frustratie van voetbalsupporters reageert met uitspraken als ‘doe niet zo dom’, ‘gedraag je eens volwassen’, ‘het draait niet om jou’, ‘gebruik je gezonde verstand’ en ‘hou je bek en gehoorzaam’, schuif je hun emotie terzijde zonder de oorzaak ervan te onderzoeken, schuif je hun terzijde als niet ter zake doende figuren, en mis je elke kans op aansluiting èn medewerking.

Waar ik behoefte aan heb als ik zo’n Nike-reclame zie, is zelfbeschikkingsrecht, gelijkwaardigheid en ruimte voor expressie en ontspanning. Ik denk dat influencers en supporters daar ook behoefte aan hebben, en dat dat de reden is dat ze op Mark Rutte reageren zoals ze op hem reageren. Het is moeilijk om die behoeften in tijden als deze te waarborgen, maar als er toch al een rottig virus als een splijtzwam op de samenleving inwerkt, kunnen we op zijn minst proberen te zoeken naar wat ons met de ander verbindt.

Geen categorie

The metaphors we use –



– ‘The metaphors we use to describe asylum seekers can dehumanize them.’ –

Krachtig statement, deze speech over mensenrechten van Katinka Simonse, voorgelezen door de dertienjarige Jawad. De beelden vertellen mij: dit kind begrijpt niet precies wat hij voorleest, maar het onderwerp ráákt hem wel. Hij snapt niet precies wat hem overkomt, maar hij zal er de rest van zijn leven last van hebben.

En tegelijk speelt Tinkebell o zo interessant met beelden waaraan de rijke witte mensen van de wereld zo gewend zijn: die van kinderen in spotjes van Unicef, War Child en Foster Parents, bedoeld om hun medelijden te wekken en hun steun aan het goede doel te verzilveren. Jawad is prachtig, hij is overduidelijk ontzettend slim; hij is het soort kind dat je wilt adopteren, het soort kind dat je ruimhartig doet doneren, het soort kind waarvoor mensen een uitzondering zouden willen maken op hun regel dat vluchtelingen niet welkom zijn. Minder minder minder, maar deze is tè cute, deze gedráágt zich, deze mag blijven, deze willen we houden.

De storende achtergrondruis die je herinnert aan de haatkoren op het www, Jawads worsteling om de volwassenmensenverhandeling voor te lezen in een taal die de zijne niet is: het draagt allemaal bij aan het ongemak, aan de sfeer van beklemming, aan het akelige besef van je eigen vooroordelen en aan de strijd, de chaos en de willekeur waaraan mensen, en in het bijzonder kinderen die vluchten onderworpen zijn.

Toen ik deze video van Tinkebell bekeek, moest ik denken aan een foto van Saul Steinberg die me altijd als ik hem zie weer ontroert. Steinberg fotografeerde zichzelf als tachtigjarige, met in zijn hand de zwartwitte hand van zijn vijfjarige zelf.

Die foto stelt, net als de beelden van Tinkebell, een indringende vraag: we zijn allemaal kinderen geweest, maar zijn we ook in staat om contact te maken met dat kind van toen, kunnen we het bij de hand nemen en zeggen: ‘kom, jij moet ook meedoen, iedereen moet meedoen, anders vind ik er niks aan’ ? Of laten we ons leiden door onze kinderlijke angsten en kunnen we daardoor een ander ook niet zien voor wat hij is?

Geen categorie

Een diamanten bizon –

In het korte verhaal Henrietta zal ons redden levert ’s Nederlands jongste en (bij mijn weten) enige magisch realist Joost Oomen het eenvoudigste en tegelijk het krachtigste argument tegen racisme ooit. Lees, huiver en doe als Joost (maar kill the Buddha): zing achter je mondkapje en bevraag alles.

Als je nieuwsgierig bent geworden en je afvraagt waar Joost de mosterd haalt, kan ik je dit interview in De Groene Amsterdammer aanbevelen.

(Overigens weet ik niet veel, dus wie het beter weet, corrigere mij.)

Geen categorie

To Oblomov –



Mooi stuk van Charlotte Remarque over ontlezing
. Als het over efficiency gaat, denk ik vaak aan Algernon en Jack, aan Oblomov, des Esseintes en Frits van Egters *. Aan al die zelfvoldane, genotzuchtige en toch ook enorm vermakelijke literaire personages die thuis blijven en niks uitvreten wat voor nuttig doorgaat.

Er schuilt zoveel waarde in ijdelheid. In dralen, lummelen, vervelen en voor je uit dromen. In Oblomovven en in being Earnest. Het is de stilte waarnaar we zoeken in duizend retreats, yogalessen en wandelvakanties, de zachtheid waarnaar we verlangen in onze relaties, de ontspanning die we missen in zowel ons werkende leven als onze vrije tijd, de waarheid over ons eigen menselijk tekort die we niet onder ogen durven te komen.

Wil ik een roman met plezier lezen, dan moet ik hem aandachtig lezen. Wil ik een roman aandachtig lezen, dan doe ik er lang over. Behoorlijk lang. Vroeger schaamde ik mij daarvoor, vooral als ik van vrienden hoorde dat ze alweer in drie boeken tegelijk bezig waren. Daar ben ik mee opgehouden, omdat het me verhinderde te genieten van iets wat ik heel graag doe: lezen.

Het interesseert me niks meer hoeveel boeken ik lees, hoe snel ik ze lees en of ik er een week nadat ze zijn uitgekomen over mee kan praten, zodat ik intelligent en op de hoogte overkom. Wat ik waardevol vind, is om ze zo wakker mogelijk te lezen, zodat ze in mij nieuwe, onverwachte verbanden aan kunnen gaan met de dingen die op mijn pad komen. Om dat te kunnen doen, moet ik eerst accepteren dat ik geen Audi RS7 ben.

_ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _

* Oscar Wilde: The Importance of being Earnest
* Joris-Karl Huysmans: A rebours
* Gerard Reve: De Avonden
* Ivan Gontsjarov: Oblomov

Illustraties: Boris Kulikov

Geen categorie

Like a perforated boat –

Op de facebookpagina van Stichting Vluchteling door de replieken scrollen is als gelijktijdig in het hart en de reet van de wereld kijken. Steunbetuigingen, oproepen tot vreedzaam protest en dapper dweilen met de kraan open, maar ook zoveel angst, woede en onversneden haat. ’Het vuur in Moria is door de kampbewoners aangestoken’, ‘Als ze geld hebben om die overtocht te betalen zijn ze blijkbaar zo arm nog niet’; ‘Zij krijgen alles, wij hebben niets’, ‘Ik wil ook wel gratis naar de camping’, etc.

Ik weet hoe boosheid en angst voelen. Dat je, als je je bedreigd voelt, niet meer helder kunt denken en zien. Ik weet ook dat je dan wild om je heen kunt gaan slaan. Met woorden, stokken, met alles wat je voor de vingers komt. Wat me shockeert (niet verbaast) is de blindheid voor de echte dreiging, namelijk die van het verlies van menselijkheid. Waarmee ik niet alleen doel op de de-humanisatie van de Ander, maar ook op wat je in jezelf afwijst en wat je jezelf ontzegt.

Wat je niet hebt, kun je niet geven; wat je niet geeft, zul je niet krijgen; wat je niet in jezelf verdraagt (je kwetsbaarheid, je afhankelijkheid, je hulpeloosheid), verdraag je niet in een ander.

Blijbaar zijn we te comfortabel, te effectief in slaap gesust om in beweging te komen, om burgerlijk ongehoorzaam te durven zijn. Blijkbaar is er heel wat voor nodig om Fort Europa te doen inzien dat deze vluchtelingenstroom de mensheid is die op de mensheid afloopt, en dat er als gevolg van grotendeels door Europese bemoeienis veroorzaakte politieke chaos, klimaatcrises en humanitaire rampen straks niet nog duizenden, niet nog honderdduizenden, maar nog miljoenen mensen onze kant op komen.

Tegen die tijd lachen we er bitter om dat we dachten het met opvangkampen aan te kunnen, dat muren of gesloten grenzen deze aanzwellende stroom mensen zouden tegenhouden, of dat op ze schieten een oplossing was. De hulpbehoevenden zijn in de meerderheid, dus of we nou zeven kleuren schijten of niet, of we er zin in hebben of niet, er zit niks anders op dan onze armen en voordeuren voor ze te openen.

Èn in landen als Sudan te gaan vragen wat mensen daar nodig hebben om zich zo veilig en vrij te voelen dat ze niet op een lekke boot hoeven te stappen.

Dit gedicht van Latinos, een Soedanese jongeman die zijn eigen dood op zee voorspelde en tóch op een bootje stapte, geeft de wanhoop van de bootvluchtelingen weer. Het sneed me door mijn ziel en sloeg me in mijn gezicht, ik hoop dat het datzelfde effect op meer mensen heeft:

Je zal sterven op zee.
Je hoofd gewiegd door de razende golven,
je lichaam wuivend in het water,
als een geperforeerde boot.
In de bloei van je leven zul je heengaan,
een haarlengte verwijderd van je dertigste verjaardag.
Vroeg vertrekken is op zich geen slecht idee,
maar dat is het wel als je alleen sterft,
als er geen vrouw is die je met open armen tot zich roept:
‘Laat me je aan mijn borst houden, ik heb genoeg ruimte.
Laat me het vuil van de ellende van je ziel wassen.’

فى مقتبل العمر
دون أن تبلغ الثلاثين بعد .
ليس سيئاً أن تغادر باكراً أبداً ،
السيء، أن تموت وحيداً
دون امرأة،
تقول لك : تعال إلىَّ، حضنى يتسع لكَ،
دعني اغسل روحكَ مِن درنِ البؤسِ .

Delen is lief.

Geen categorie

De wereld van een afstand –

– ‘Je zou kunnen zeggen dat mijn houding ten opzichte van mezelf en de wereld een draai van 180 graden heeft gemaakt, en daarmee ook mijn mening over zaken in die wereld, die me ineens veel persoonlijker raakten dan vóór dat kantelpunt. Ook kreeg ik ineens de behoefte mij daarover uit te spreken.’ –

Laura de Jong interviewde de grote Jente Posthuma voor de Volkskrant. Over grappen maken om buiten schot te blijven, over aarden in jezelf en in de wereld, over je naar binnen keren om naar buiten te kunnen treden.

Jente is mooi lang, trouwens, maar dat is niet het meest opvallende aan haar. Het meest opvallend zijn haar moed, haar onderzoekende geest, haar scherpte en haar fantastische talent om wat in haar (en you & me & everyone we know) leeft in verfrissende, kraakheldere woorden uit te drukken.

Dat ze ook erg mooi kan voorlezen uit eigen werk en een heerlijk droog gevoel voor humor heeft, is te horen in deze boektrailer van Waar ik liever niet aan denk (Uitgeverij Pluim).

Geen categorie

Praktische details –

In de nazomer van 2017 zag ik op mijn beeldscherm een discussie over schoonheidsroutines exploderen. Ik was meteen gefascineerd, niet alleen omdat het over Zadie Smith ging, aan wiens woorden ik zulk goed gezelschap heb. De argumenten raakten me ook persoonlijk, omdat ik meer dan twintig jaar van mijn leven met een verstoord lichaamsbeeld heb geworsteld. Op mijn zestiende kreeg ik een eetstoornis, en toen ik bijna dertig was, kwam daar BDD bij – een stem die me vertelde dat ik er zo abnormaal uitzag dat ik maar beter meteen op Mars kon gaan wonen.

Terug naar die routines. Such was the case: Zadie Smith had gemerkt dat haar dochter van zeven steeds meer tijd voor de spiegel doorbracht, en dat verontrustte haar. Om haar op andere gedachten te brengen, gaf ze haar geen lezing over vrouwelijke schoonheid. Ze zei niet: ‘Lieverd, je bent mooi zoals je bent’, of: ‘Het gaat niet om de buitenkant.’

Ze zei: ‘Jij verspilt tijd met voor de spiegel staan, je broer niet. Hij staat op, trekt een shirt over zijn hoofd en loopt de deur uit, en het zal hem aan zijn reet roesten of jij daarna nog anderhalf uur staat te make-uppen.’ Vervolgens had ze aan Kit (zo heet haar dochter) gevraagd of ze het ermee eens was ze vanaf nu maximaal een kwartier voor de spiegel zou staan voor ze de deur uit ging.

Op de vraag hoe Kitty op het voorstel had gereageerd, antwoordde Smith dat haar kind de regel had geaccepteerd als een praktische afspraak in de categorie ‘maximaal een uur schermtijd per dag.’

Nadat ze dit alles in een interview had uitgelegd, buitelde het vrouwelijke internet over de schrijfster heen. Het eerste commentaar dat rondechoode had de vorm van een relativering of ontkenning: ‘Wat een rare opmerking. Jongens zijn toch net zo goed dol op in de spiegel kijken?’ Daarna volgde een roedel gebeten honden, die dingen keften als: ‘Wat bedoelt ze nou helemaal? Dat ik dóm ben omdat ik anderhalf uur voor de spiegel sta?’, en: ‘Ik lijd niet onder mijn schoonheidsroutines, ik geníet ervan. Ik ben een artiest, mijn lichaam is mijn kunstwerk!’

Tot slot klonk het giftige gesis van een reeks pogingen om Smith de mond te snoeren: ‘Zowel je druk kúnnen maken als je niet druk hóeven maken over schoonheid is een privilege. Alleen iemand die zo mooi is als Zadie Smith kan luchtig doen over de fixatie op schoonheid waarin deze wereld gevangen zit’.

Al deze reacties schoten volledig voorbij aan het geweldige punt dat Smith wat mij betreft had gemaakt en waarvan ik graag had gewild dat het mij als klein meisje was bijgebracht. Namelijk: vrouwen verliezen tijd met zich zorgen maken over hoe ze eruit zien, en diezelfde tijd zouden ze zo goed voor andere dingen kunnen gebruiken. Want behalve dat ze een week per maand suboptimaal functioneren, de baby’s van de mensheid moeten dragen en in veel gevallen helaas ook moeten herstellen van geweld, hun aangedaan door mannen, heeft de geschiedenis ze ook nog eens met een lel van een achterstand opgescheept.

Natuurlijk is dit geen vrolijke boodschap om aan je dochter mee te geven, en zeker ook geen eenvoudige. Ik snap dat mensen denken: is dit niet een tikkeltje te politiek en intellectueel voor een meisje van zeven? Toch vind ik dat La Smith dit grote probleem met haar kleine woorden heel inzichtelijk heeft gemaakt. Ze zegt iets wezenlijks over de verschillende maten waarmee mannen en vrouwen worden gemeten, en legt uit wat daar de praktische gevolgen van kunnen zijn. En dan: haar dochter hóeft nu nog niet precies te begrijpen waar het over gaat. Het gaat om de uitwerking.

Ik weet zeker dat een eenvoudige regel als deze mij persoonlijk meer vuur in mijn donder had gegeven dan de jaarlijkse herhaling van dit ritueel: mijn vader heeft de vakantiefoto’s afgedrukt, mijn moeder zegt over elke foto waar zij op staat: ‘Ik verbíed je om deze in te plakken’, of: ‘Knip mij eraf, alsjeblieft. Ik ben zó lelijk, en ik heb echt een véél te dikke kont’. Wat ik leerde was: vrouwen maken zich zorgen over hun uiterlijk. En: als je lelijk bent, mag je niet op de foto. Als je kont te dik is, kunnen we beter doen alsof je er niet bij was. Alsof je überhaupt niet bestaat.

Vanaf het moment dat ik tietjes en pubervet kreeg, bracht ik uren per dag voor spiegels door. Niet omdat ik mezelf zo graag zag, maar omdat ik walgde van mijn spiegelbeeld. Eerst vond ik het maar niks dat het opeens zo overduidelijk was dat ik een meisje was, dat de jongens met wie ik speelde me opeens niet meer zagen als één van de hunne. Die erwten op m’n plank, bad ik, mag ik die alsjeblieft terugbrengen? Want bij nader inzien staat de kleur me toch niet aan.

Niet lang daarna fietste ik toch enigszins trots met mijn eerste behaatje onder een diep uitgesneden T-shirt naar school. Na een tijdje begon het me op te vallen dat op posters in bushokjes vrouwen in beha’s stonden die, op hun pronte boezem na, helemaal geen vet hadden. Dat was het begin van een obsessie met dunne vrouwen, waarvan ik er zelf (althans in mijn beleving) tot mijn spijt geen was.

Ik begon de Marie Claires van mijn moeder van kaft tot kaft door te nemen, met dien verstande dat ik er geen letter in las. In plaats daarvan zoog ik de beelden van al die spastisch over de pagina’s gedrapeerde diva’s in me op. Vrouwen die er niet uitzagen als vrouwen, maar als jongens van zestien zonder lichaamsbeharing en met borsten. Die beelden vertelden mij: zo moet je eruit zien om recht te hebben op liefde, op seks, op avontuur, op ontspanning. Als iets wat niet bestaat.

Hoe meer van die plaatjes ik keek, hoe meer ik op die plaatjes ging lijken. Je zou zeggen dat ik daar blij mee was, maar zo werkte het niet. Met mijn lichaamsvet verdween namelijk ook het licht uit mijn ogen. Op foto’s uit die jaren kan ik het letterlijk zien gebeuren: mijn blik sluit zich. Ik houd op van binnen naar buiten te kijken, en begin van een kritische afstand naar mijn buitenkant te kijken. Met de blik van een wrede, strenge God, die zegt: Eérst iets worden wat niet bestaat, dán mag je aan je leven beginnen.

Als ik alleen thuis was, betrapte ik mezelf erop dat ik niet op een stoel kon zitten zonder mijn beenspieren aan te spannen, omdat ik bang was dat je anders, als je met een camera in mijn broek zou kijken, op mijn benen één of twee dimpeltjes zou zien. Als ik over straat liep, keek ik koortsachtig in etalageruiten. In Bos en Lommer kreeg ik een keer een paniekaanval toen ik mezelf eerst vervormd terugzag in een regenplas, en toen ik mijn blik verschrikt afwendde nog eens in een spiegelflat. Ik lag locked in op de stoep en kon alleen nog maar denken: ‘Kijk niet naar mij, zie mij niet, please.’

De eerste hulpverlener die erin slaagde mij te bereiken toen ik me op mijn vierendertigste eindelijk bij een kliniek durfde te melden, was iemand die me praktische vragen stelde en praktische dingen uitlegde. Hij vroeg: ‘Hoe zien jouw routines eruit?’ Ik legde hem uit naar welke supermarkt ik ging, wat ik kocht, hoe ik het opat, hoe ik ervoor zorgde dat ik het weer kwijtraakte, hoeveel tijd en geld het me kostte, en welke uitwerkingen dit schaduwbestaan op de korte en lange termijn op mijn leven had. Dat ik strandde in studie en werk, dat ik schulden had en nooit eens een rondje kon geven, dat ik etentjes afzei omdat ik daar moest eten en feestjes omdat ik me er niet durfde te vertonen.

Dat ik in paniek raakte van zowel kritiek als complimenten, dat ik wilde verdwijnen als iemand zei dat hij van me hield, dat ik bang was dat mijn lichaam uit elkaar aan het vallen was, en dat ik in dit alles ontzettend eenzaam was.

Hij vroeg: ‘En, ben je er trots op dat je je vinger niet in je keel hoeft te steken om over te geven?’ Ik zei: ‘Dat heb ik inderdaad wel eens opgevoerd als een argument ten nadele van mijn eigen sneuheid, ja.’ Hij zei: ‘Je weet wel dat vijfennegentig procent van de mensen die wij hier behandelen vrouwen zijn, hè. Hoe denk je dat dat komt?’

Ik moest denken aan wat een vriend me de avond ervoor had verteld: ‘In India heb je nonnen die wonden likken waar de maden uit kruipen. Dat zijn dingen die echt alleen vrouwen kunnen doen.’ Ik haalde mijn schouders op en gokte: ‘Omdat vrouwen toegewijder zijn?’

De hulpverlener gniffelde. Hij zei: ‘Als vrouwen niet met hun emoties om kunnen gaan, straffen ze zichzelf, en als ze iets te vieren hebben, denken ze: niet te vroeg juichen. Mannen zitten aan de andere kant van het spectrum. Verloren? Alle sluizen open. Gewonnen? Ook alle sluizen open.’ Hij maakte een serie universele gebaren: spuiten, snuiven, slikken, eten, drinken, seksen. ‘Waarom? Omdat ze weten dat ze het kúnnen doen zonder voor hoer, hysterica, manwijf of dikke koe uitgemaakt te worden.’ Hij zei: ‘Dat is onze maatschappij voor je, in een notendop.’

‘Toch zit die maatschappij ook in mij’, zei ik, ‘en die stem die mij vertelt dat ik moet afvallen is zó overtuigend, dat ik nu denk dat ik eerst maar eens een paar kilo moet afvallen voordat ik me met goed fatsoen bij deze kliniek kan melden.’ Hij zei: ‘Je maakt er een grapje van, maar dat is wel precies wat het is. Hij vroeg: ‘Wie vind jij de mooiste vrouw van de wereld? Wie zou jij wèl willen zijn?’ Ik zei: ‘Grace Jones.’ Hij antwoordde: ‘Als ik jou morgen het lichaam van Grace Jones geef, vind je jezelf volgende week wéér te dik.’

Het was belangrijk dat ik de praktische details van mijn routine hardop noemde, omdat juist die details met de grootste schaamte omgeven waren. Het was belangrijk dat ik de praktische gevolgen van die routine in één adem hardop noemde, omdat dat me dwong te zien wat ik natuurlijk wel wist, maar bang was om te erkennen: dat ik zonder beter af zou zijn dan mèt. Wat ik ook een waardevol inzicht vond, was dat mijn demon niks te maken had met hoe dun, mooi of succesvol ik was, en wel het een en ander (niet alles) met hoe ik mij voel in deze samenleving.

In die samenleving is het niet de bedoeling dat ik wat in de Schaduw leeft naar het licht optil, want als ik wat in de Schaduw leeft naar het licht optil, doet dat pijn aan de ogen van de samenleving. Het is niet de bedoeling dat ik gelukkig ben, want als ik gelukkig ben kijk ik niet vaak genoeg op mijn telefoon en genereer ik geen data en voel ik geen aandrang om mijn ongemak weg te kopen. Het is niet de bedoeling dat ik me sterk voel, want als ik me sterk voel, kom ik misschien wel op het idee dat er iets veranderd of omvergeworpen kan worden. Het is niet de bedoeling dat ik me solidair voel en helder kan denken, want als we ons met teveel tegelijk solidair gaan voelen en met teveel tegelijk helder gaan denken zou het nog wel eens kunnen dat er daadwerkelijk iets verandert of omvergeworpen wordt.

Tegenwoordig sta ik ook nooit meer langer dan een kwartier voor de spiegel, en zelfs dat vind ik eigenlijk nog te lang. Ik vind het verdrietig dat iets in mij er van overtuigd is dat ik tijd voor de spiegel moet doorbrengen omdat er anders iets niet goed gaat of niet goed ís (ik heb het niet over een openstaande gulp of sla tussen mijn tanden als ik ga solliciteren). Ik hoor mezelf tegen anderen zeggen dat het niet over de buitenkant gaat en dat we erboven zouden moeten staan, maar mij lukt dat ook niet. Ik sta er al zo lang en zo ontzettend niet boven dat ik het moeilijk vind om mijn er-niet-boven-staan los te zien van wie ik ben.

Wat me wel helpt, is minder in de spiegel kijken en niet op de weegschaal gaan staan. Ik heb tegenwoordig zelfs niet eens een weegschaal meer, en als ik een slechte dag heb, hang ik een laken over de spiegel. Dan kan ik mezelf weer horen denken.

Soms ga ik hardlopen, omdat ik weet dat in beweging komen goed is om de wrede God het zwijgen op te leggen. Maar als ik vermoed dat ik wil gaan hardlopen omdat ik mezelf weer eens te dik vind, lees ik liever een boek. Bij voorkeur een boek dat gaat over waarom ik naar mezelf kijk zoals ik naar mezelf kijk, zoals ‘On Beauty’ van Zadie Smith, of ‘The Beauty Myth’ van Naomi Wolf (nog zo’n auteur die steeds weer te horen krijgt dat ze haar mond moet houden over dit onderwerp omdat ze mooi is).

Ik vind het jammer dat er geen goede Nederlandse vertaling van het woord empowerment is, maar dat is wat ik voel als ik zulke boeken lees. Ik krijg er zin van om in het leven te bijten als in een lekker broodje, en alles te doen waarvan ik bang ben dat ik het niet kan.